“Het doel van de lijkschouw is het vaststellen van de dood!”
Deze veronderstelling is één van de meest voorkomende verkeerde gedachtengangen in de Nederlandse samenleving!
Helaas hebben veel belanghebbende professionals ook deze veronderstelling, waardoor de lijkschouw in de praktijk niet wordt gerealiseerd volgens het doel zoals de wet beoogt.
In dit onderdeel "Lijkschouw en aanvang overledenenzorg" kunnen belanghebbenden (professionals) en belangstellenden informatie vinden over de lijkschouw, het doel van de lijkschouw, wanneer overledenenzorg mag plaatsvinden en een opsomming van vele tekortkomingen voor wat betreft de lijkschouw zoals deze vandaag de dag plaatsheeft.
Waar andere protocollen en handelswijzen met betrekking tot de lijkschouw zijn geschreven vanuit het oogpunt van de medische beroepsgroep of vanuit instellingsbelang, zijn de handelswijzen zoals overledenenzorgpro.nl in dit onderdeel heeft beschreven vanuit het oogpunt zoals de doelstelling in de wet beoogt.
In de Nederlandse gezondheidszorg (intramuraal en extramuraal), overledenenzorg (intramuraal en extramuraal) en uitvaartzorg heeft men vandaag de dag met zeer grote regelmaat te maken met onwenselijke situaties met betrekking tot en de gevolgen van de kwaliteit van de lijkschouw en het niet kunnen beschikken over de (goed ingevulde) overlijdenspapieren.
Dit leidt tot onwenselijke situaties voor wat betreft het doel van de lijkschouw zoals de wet beoogt (namelijk het uitsluiten van een niet-natuurlijke dood). Er heerst onduidelijkheid over het hoe te handelen rondom de lijkschouw en verwarring in wat de consequenties zijn voor de te realiseren overledenenzorg en uitvaart, het als uitvaartondernemer een getouwtrek moeten aangaan met de arts of zorginstelling zodat in elk geval de papieren kunnen worden bemachtigd en de onwenselijke situatie dat overledenenzorg plaatsheeft op een overledene waarop geen (correcte) lijkschouw heeft plaatsgevonden of waarbij de behandelend arts zijn oordeel of een overlijden een natuurlijk overlijden betreft nog niet in de overlijdensverklaring heeft opgetekend.
Het wettelijk beoogde doel van de lijkschouw, de lijkschouw, de kwaliteit van de lijkschouw, afgifte van de overlijdenspapieren door de behandelend schouwarts en het als nabestaanden / verpleging / mortuariumbeheer / overledenenverzorger / uitvaartondernemer ontvangen van de overlijdenspapieren zijn allen onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Een opsomming van handelswijzen met betrekking tot de lijkschouw zoals men dagelijks in de praktijk tegenkomt:
De overlijdenspapieren worden door de behandelend arts getekend zonder dat enige vorm van lijkschouw heeft plaatsgevonden;
De “lijkschouw” heeft vele uren na overlijden plaats op een reeds verzorgde en geklede overledene (het wettelijke doel van de lijkschouw, namelijk het uitsluiten van een niet-natuurlijk overlijden, wordt niet gerealiseerd);
De “lijkschouw” heeft vele uren na overlijden plaats op een reeds verzorgde, geklede en gekoelde overledene (het wettelijke doel van de lijkschouw, namelijk het uitsluiten van een niet-natuurlijk overlijden, wordt niet gerealiseerd);
De behandelend arts stelt kort na overlijden/vele uren na overlijden slechts (het intreden van) de dood vast en verricht geen lijkschouw met het doel zoals de wet beoogt (in Nederland heerst de algemene gedachtegang, ook bij zeer veel artsen, dat het doel van de lijkschouw is om de dood vast te stellen);
De schouwarts verricht geen lijkschouw en vult de overlijdenspapieren in, maar vraagt de uitvaartondernemer contact op te nemen als deze sporen van een niet-natuurlijk overlijden aantreft.
Een opsomming van tekortkomingen met betrekking tot de overlijdenspapieren (A en B verklaring) zoals men in de praktijk tegenkomt:
De overlijdenspapieren worden niet goed ingevuld (gegevens ontbreken);
Het handschrift op de overlijdenspapieren is onleesbaar;
De overlijdenspapieren worden niet meteen na de “lijkschouw” door de behandelend arts uitgeschreven (maar soms vele uren / dagen later);
De overlijdenspapieren worden door de behandelend arts per post naar de uitvaartondernemer gezonden (de uitvaartondernemer kan niet direct beschikken over de overlijdenspapieren);
De schouwarts vult de overlijdensverklaring in, maar niet het doodsoorzaakformulier ten behoeve van de statistiek (B-verklaring / formulier ten behoeve van het Centraal Bureau voor de Statistiek);
De schouwarts vult de overlijdenspapieren pas in als deze documenten worden aangeleverd door de uitvaartondernemer (het is de taak van de schouwarts om over deze formulieren te beschikken en niet de taak van de uitvaartondernemer om deze aan te leveren);
De schouwarts schrijft meerdere versies van de overlijdensverklaring uit.
Veel schouwartsen en zorginstellingen hanteren procedures die niet in overeenstemming zijn met de lijkschouw zoals de wet beoogt. Voorbeelden hiervan zijn:
In geval van een verwacht overlijden mag de overledenenzorg doorgang vinden voor “de lijkschouw”. “De lijkschouw” heeft plaats bij aanvang dienst van de schouwarts op een reeds verzorgde, geklede en gekoelde overledene. Deze handelswijze heeft voornamelijk plaats in avond, nacht, in het weekend of op feestdagen.
In geval van een verwacht overlijden mag de overledenenzorg doorgang vinden voor “de lijkschouw”. De overledene mag echter niet worden gekoeld voor “de lijkschouw”. “De lijkschouw” heeft plaats bij aanvang dienst van de schouwarts op een reeds verzorgde overledene. Deze handelswijze heeft voornamelijk plaats in avond, nacht, in het weekend of op feestdagen.
De reden dat wel verzorging maar geen koeling (conservering) mag plaatsvinden is omdat in de betreffende zorginstellingen de gedachtegang heerst dat in geval de dood niet is ingetreden de overledenenzorg het intreden van de dood niet bespoedigt, maar koelen het intreden van de dood wel bespoedigt;
In veel zorginstellingen (voornamelijk verpleeghuizen) ziet men dat de (hoofd)verpleegkundige de bevoegdheid heeft om het intreden van de dood vast te stellen (dit is soms protocollair vastgelegd in een instellingsprotocol). In geval van een verwacht overlijden heeft vervolgens de overledenenzorg plaats voordat de schouwarts de overledene komt “schouwen”. In dit geval heeft “de lijkschouw” plaats bij aanvang dienst van de schouwarts (soms vele uren na het intreden van de dood en op een reeds verzorgde, geklede en gekoelde overledene).
Bij deze handelswijze geeft de schouwarts (instellingsprotocol?) de in de wet benoemde voorbehouden handeling, om te constateren of sprake is van een al dan niet natuurlijke doodsoorzaak, uit handen aan de (hoofd)verpleegkundige, een niet bevoegde discipline.
Sommige schouwartsen (voornamelijk huisartsen) overleggen met de nabestaanden wanneer het de nabestaanden uitkomt wanneer de lijkschouw plaatsheeft.
Er wordt geen prioriteit gegeven aan de lijkschouw;
(Aanwezigen) nabestaanden zijn partij in het onderzoek of sprake is van een natuurlijke doodsoorzaak.
In Nederland bestaat de Wet op de Lijkbezorging (Wlb).
In deze wet staan bepalingen met betrekking tot de lijkschouw en de overlijdenspapieren.
Als volgt worden deze artikelen uit de Wlb benoemd met daarbij de opmerkingen van overledenenzorgpro.nl.
Artikel 3
Tot 1 januari 2010 stond in de wet: “Lijkschouwing geschiedt door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.”.
Op 1 januari 2010 is een wetswijziging doorgevoerd. Nu is de wettelijke regelgeving: “Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.”.
Opmerkingen:
Dit betekent dat niet, zoals de algemene gedachtegang is, iedere arts de lijkschouw mag verrichten, maar alleen de behandelend arts of een gemeentelijk lijkschouwer;
In de wet staat de term “behandelende arts” niet verder uitgelegd. De wetgever stelt echter dat de volgende artsen kunnen worden gezien als behandelend arts: De behandelend arts, de arts-assistent van de behandelend arts, de waarnemer/vervanger van de behandelend arts en een arts op de spoedeisende hulp wanneer sprake is van overlijden tijdens acute zorg;
De term “behandelende arts” vereist een behandelrelatie;
De gemeentelijk lijkschouwer verricht de lijkschouw wanneer overlijden niet plaatsheeft in behandelsetting of als geen sprake is van een behandelend arts.
Met de wettekst “Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden” heeft de wetgever de prioriteit van de lijkschouw benadrukt.
Helaas is de term “zo spoedig mogelijk” onderhevig aan de individuele interpretatie van de schouwarts.
De wetgever heeft het nagelaten om de loze kreet “zo spoedig mogelijk” te verwoorden in een reëel tijdsbestek.
Omdat de wetgever heeft nagelaten een reëel tijdsbestek voor de lijkschouw te benoemen is de verwachting dat de rechter in de toekomst middels een proefproces de term “zo spoedig mogelijk” specificeert in een reëel tijdsbestek.
Ook heeft de term “zo spoedig mogelijk” geen toevoegende waarde voor waar het de kwaliteit en de invulling van de lijkschouw betreft!
Artikel 6
Een gemeentelijke lijkschouwer treedt niet als zodanig op, indien hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene of de moeder van de doodgeborene handelingen op het gebied van de geneeskunst heeft verricht en indien tussen dezen en hem bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap bestond of bestaat.
De behandelende arts treedt niet op als lijkschouwer indien tussen hem en de overledene of de moeder van de doodgeborene bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap bestond of bestaat.
Artikel 7
Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.
Opmerkingen mbt de verklaring van overlijden:
De verklaring van overlijden staat in de praktijk ook wel bekend als de A-verklaring;
Met de verklaring van overlijden wordt bedoelt de verklaring van overlijden ten behoeve van de gemeente. Met deze verklaring wordt de overledene als ingezetene van de gemeente uitgeschreven (persoonsgegevens als ingeschrevene blijven echter wel in “bevroren toestand” bestaan). In geval gemeente van ingezetene niet dezelfde is als de gemeente van overlijden dient de gemeente van overlijden de gemeente van ingezetene van het overlijden op de hoogte te stellen;
De verklaring van overlijden is een wettelijk door de staat uitgegeven document en wordt verstrekt via de gemeente (Het model van verklaring van overlijden staat beschreven in de wet: Besluit op de lijkbezorging);
Gemeenten mogen ook zelf in een verklaring van overlijden voorzien mits wordt gehouden aan de opmaak zoals staat beschreven in de wet Besluit op de lijkbezorging.
Opmerkingen mbt de wettekst “indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak”:
De wetgever heeft nagelaten in de wet te beschrijven hoe de arts zich kan overtuigen of de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Logischerwijze kan worden verondersteld dat voor overtuiging een degelijk onderzoek noodzakelijk is. Informatie over het onderzoek (de lijkschouw) komt in het item "Uitvoering lijkschouw" aan de orde;
Volgens deze wettekst mag de schouwarts alleen een verklaring van overlijden uitschrijven als deze ervan is overtuigd dat de dood is ingetreden tengevolge van een natuurlijke oorzaak. Dit betekent dat de schouwarts geen verklaring van overlijden mag invullen als de dood is ingetreden tengevolge van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden.
Om juist te handelen zoals de wet beoogt dient de schouwarts op de hoogte te zijn van de begrippen natuurlijk overlijden, niet-natuurlijk overlijden en vermoedelijk niet-natuurlijk overlijden.
Artikel 7
Indien het overlijden het gevolg was van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 293, tweede lid, tweede, onderscheidenlijk artikel 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht, geeft de behandelende arts geen verklaring van overlijden af en doet hij van de oorzaak van dit overlijden onverwijld door invulling van een formulier mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers. Bij de mededeling voegt de arts een beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Opmerkingen mbt toepassing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding:
Zowel overlijden door toepassing levensbeëindiging op verzoek als overlijden door hulp bij zelfdoding betreft een niet-natuurlijk overlijden.
De behandelend arts mag niet de lijkschouw verrichten, mag niet de overlijdenspapieren uitschrijven en dient zich exact te houden aan de procedure zoals staat beschreven in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Na toepassing van deze handelswijzen met als gevolg het intreden van de dood dient de behandelend arts onverwijld (zonder uitstel) de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen.
Artikel 7
Indien de behandelende arts in andere gevallen dan die bedoeld in het tweede lid meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, doet hij hiervan onverwijld door invulling van een formulier mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers.
Opmerkingen mbt het niet kunnen overgaan tot afgifte van de verklaring van overlijden:
Op een moment dat de behandelend schouwarts ervan overtuigd is dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden, twijfelt of sprake is van een natuurlijk overlijden of als sprake is van een vermoedelijk niet-natuurlijk overlijden mag deze niet de verklaring van overlijden afgeven en dient onverwijld (zonder uitstel) de gemeentelijk lijkschouwer op de hoogte te stellen;
In geval omstandigheden wijzen op een (vermoedelijk) niet-natuurlijke doodsoorzaak dient te worden gesproken van een vermoedelijk niet-natuurlijk overlijden.
Tijdens het vervolgonderzoek verrichten de gemeentelijk lijkschouwer en de politie (technische recherche) onderzoek naar de primaire doodsoorzaak. Een gerechtelijke vervolgonderzoek zoals een sectie kan noodzakelijk zijn om duidelijkheid te verkrijgen over de primaire doodsoorzaak.
In Artikel 7.3 staat dat de behandelend schouwarts onverwijld (zonder uitstel) een schriftelijke mededeling (middels een formulier) moet maken aan de gemeentelijk lijkschouwer.
Het schriftelijk op de hoogte stellen van de gemeentelijk lijkschouwer is achterhaald. Omdat de gemeentelijk lijkschouwer zo spoedig als mogelijk moet schouwen dient de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer onverwijld en telefonisch op de hoogte te stellen;
De wetgever heeft bij de wetswijziging van 1 januari 2010 nagelaten om de tekst “door invulling van een formulier” te wijzigen in “onverwijld middels een telefonische melding”.
In geval de behandelend schouwarts niet overtuigd is van een natuurlijke doodsoorzaak of als deze het vermoeden heeft van een (vermoedelijk) niet-natuurlijke doodsoorzaak dient de lijkschouw geen doorgang te vinden of dient de schouwarts de lijkschouw onmiddellijk te staken. De overledene evenals de omgevingsomstandigheden dienen onaangeroerd te blijven voor het onderzoek van de gemeentelijk lijkschouwer. Als aanvulling voor het onderzoek van de gemeentelijk lijkschouwer dienen eventuele aanvullende gegevens zoals rapportage/status, aanvullende onderzoeksresultaten (zoals eeg/ecg/lab) en eventuele getuigen (medische en paramedische dienstverlening / politie / derden) beschikbaar te zijn;
In geval van een niet-natuurlijk overlijden mag ook de gemeentelijk lijkschouwer geen verklaring van overlijden uitschrijven. De officier van justitie zal melding van overlijden maken aan de gemeente van overlijden.
Artikel 12a
Tegelijk met de afgifte der verklaring van overlijden, bedoeld in artikel 12, doet de arts opgave van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek.
Opmerkingen opgave doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek
Het formulier ten behoeve van de statistiek staat in de praktijk ook wel bekend als de B-verklaring;
Het formulier ten behoeve van de statistiek wordt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uitgegeven. Dit formulier wordt verstrekt via de gemeente;
Zoals in de wet staat beschreven dient de schouwarts dit formulier tegelijk af te geven met de verklaring van overlijden;
Afgifte van de verklaring van overlijden (ontvangst van de overlijdenspapieren) mag volgens de wet alleen als tegelijkertijd met de verklaring van overlijden ook afgifte/ontvangst van het formulier ten behoeve van de statistiek plaatsheeft;
Als ontvanger van de overlijdenspapieren (medewerkers zorgsector / nabestaanden / uitvaartondernemer) dient u er niet mee akkoord te gaan als het formulier ten behoeve van de statistiek niet aanwezig is. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan verlangen dat het formulier verklaring van overlijden en het formulier ten behoeve van de statistiek tegelijk worden aangeleverd. Bij het niet beschikken over dit formulier kunnen problemen ontstaan als de schouwarts later dit formulier niet wil verstrekken of als de schouwarts dit formulier door afwezigheid niet kan verstrekken.
Een andere arts dan de schouwarts zal niet (snel) alsnog dit document verstrekken.
In principe kunnen geen twee verschillende namen onder beide documenten staan omdat sprake is van slechts één schouwarts.
Artikel 76
Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of een van zijn hulpofficieren.
Opmerkingen met betrekking tot het vervoer van een overledene
Nergens in de wet staat beschreven dat in geval van een natuurlijk overlijden geen overledenenvervoer mag plaatsvinden zonder de aanwezigheid van papieren.
Volgens de wet mag in geval van een natuurlijke doodsoorzaak overledenenvervoer zonder papieren plaatsvinden.
Individuele gemeenten kunnen echter een gemeentelijke verordening hebben waarin de aanwezigheid van papieren voor het vervoer van een overledene over de weg noodzaak is;
De overtuiging of sprake is van een natuurlijk overlijden bestaat alleen als een behandelend schouwarts of een gemeentelijk lijkschouwer zijn overtuiging heeft vastgelegd in de verklaring van overlijden. In principe mag overledenenvervoer alleen plaatsvinden als deze overtuiging van de schouwarts in schriftelijke bevestiging is vastgelegd. Als vervoerder dient u er niet mee akkoord te gaan een overledene te vervoeren als u geen beschikking hebt over deze schriftelijke bevestiging;
Als sprake is van vervoer zoals staat benoemd in deze wettekst wordt veelal meteen gedacht aan vervoer over de weg. In geval van deze wettekst bedoelt de wet ook verplaatsing van de overledene (men dient de overledene onaangeroerd te laten), dus ook overbrenging van de overledene naar een andere ruimte zoals een mortuarium (intern vervoer binnen zorginstelling). In geval van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden dient men de overledene op geen enkele manier te verplaatsen zonder verlof van de officier van justitie of één van zijn hulpofficieren.
Wilt u de gehele Wet op de Lijkbezorging inzien, dan kan dit op webpagina Wet op de Lijkbezorging
In Nederland hebben gemeenten de mogelijkheid om zelf een overlijdensverklaring (A-verklaring) samen te stellen en uit te geven. Het model van de overlijdensverklaring (A-verklaring) is te vinden in de wet Besluit op de Lijkbezorging en is te vinden op webpagina Besluit op de Lijkbezorging
Onduidelijkheden met betrekking tot de lijkschouw en de overlijdenspapieren ontstaan vooral door wat niet in de wetgeving staat beschreven. Hierdoor is in de loop van de jaren een wildgroei van inzichten, procedures, protocollen en handelswijzen ontstaan waardoor eenieder niet handelt volgens de doelstelling zoals de wet beoogt.
In het item “Wet en wetgever” kunt u een opsomming vinden van de gevolgen door onduidelijke wetgeving.
In Nederland bestaat de Wet op de Lijkbezorging (Wlb). Deze wet schrijft voor hoe wij in Nederland met onze doden dienen om te gaan. Door regels te stellen in de wetgeving ontstaat duidelijkheid over handelswijzen en wordt richting gegeven aan algemene normen en waarden zoals die in Nederland gelden.
De Wet op de Lijkbezorging, zoals deze op dit moment bestaat, betreft een zeer minimale wetgeving. De praktische handelswijzen die voortvloeien uit deze wetgeving zijn dan veelal ook zeer rekbaar, onduidelijk en in een aantal gevallen niet overeenkomstig de in Nederland geldende normen en waarden.
Volgens ons, overledenenzorgpro.nl, dient de Wet op de Lijkbezorging duidelijkheid te geven in de volgende punten:
Professionals die te maken hebben met de zorg voor de overledene
Duidelijkheid in kennis, bekwaamheid, bevoegdheid en handelswijzen van professionals.
Schouwarts: Kennis en bekwaamheid om de specialistische handeling van het schouwen van de overledene uit te voeren staan niet in de wet beschreven (alleen bevoegdheid door titel staat benoemd).
Schouwarts: Handelswijzen om de lijkschouw te realiseren met het doel zoals de wet beoogt staan niet in de wet beschreven.
Gemeentelijk lijkschouwer: Kennis en bekwaamheid stonden voor de wetswijziging van 1 januari 2010 niet in de wet beschreven.
In de wet (Wlb) is met de wetswijziging van 1 januari 2010 openomen:
Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer.
Een gemeentelijke lijkschouwer die niet is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de lijkbezorging, kan tot drie jaar na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Bb, als zodanig benoemd blijven.
Opmerking: Doelstelling is dat alleen forensische artsen in het register worden opgenomen die de opleiding tot forensisch arts hebben gevolgd.
Verpleging zorginstelling / overledenenzorg / uitvaartzorg: Handelswijzen na een overlijden om de schouwarts de gelegenheid te geven de overledene te schouwen met het doel zoals de wet beoogt staan niet in de wet beschreven.
Uitvaartondernemer: Kennis, bekwaamheid en bevoegdheid staan niet in de wet beschreven. Zonder opleiding en ervaring kan iedereen in Nederland een dienstverlening starten in de uitvaartzorg. Nabestaanden zien deze dienstverlening als professioneel.
Ook voor de uitvaartondernemer ontbreken in de wet instructies voor handelswijzen om na een overlijden de schouwarts de gelegenheid te geven de overledene te schouwen met het doel zoals de wet beoogt.
Bescherming overledene
De lijkschouw: De kwaliteit van de lijkschouw door behandelend artsen is doorgaans niet conform het doel zoals de wet beoogt. In de wet staan geen handelswijzen beschreven voor de uitvoering van de lijkschouw. Voor veel artsen is het doel van de lijkschouw onduidelijk. De lijkschouw wordt door zeer weinig behandelend artsen verricht met het doel zoals de wet beoogt (veelal wordt slechts de dood vastgesteld). In zeer veel gevallen heeft overledenenzorg plaats voor aanvang lijkschouw waardoor de lijkschouw niet kan plaatsvinden volgens het doel zoals de wet beoogt.
Overledenenzorg algemeen: Wetgeving zodat piëteitsvolle zorg voor de overledene plaatsheeft
In de wet staan geen eisen voor professionaliteit van mortuariumbeheer / overledenenzorg / uitvaartzorg benoemd. Iedereen in Nederland kan zonder opleiding en kennis van zaken een dienstverlening starten in de overledenenzorg en uitvaartzorg. Professionaliteit is dan ook alleen aan titel gebonden en niet aan het principe van “kennis en bekwaamheid maakt bevoegd (middels opleiding)”.
Opleidingen in de overledenenzorg- en uitvaartbranche betreffen slechts cursussen. Geen van de opleidingen in deze sector zijn overheidsgecertificeerd door het Ministerie van Onderwijs. Het is voor medewerkers in de overledenenzorg- en uitvaartdienstverlening niet wettelijk verplicht om te beschikken over een (relevante) opleiding.
Bescherming nabestaanden
Nabestaanden hebben veelal geen kennis van overledenenzorg en uitvaartzorg. Zij worden pas geconfronteerd met deze dienstverlening op een moment dat sprake is van een overlijden in de familie. In een veelal zeer emotionele periode in hun leven verwachten nabestaanden te maken te hebben met professionals die zorg dragen voor de overledene zoals de wet beoogt en volgens de algemeen geldende Nederlandse normen en waarden.
Nabestaanden mogen, gezien de geldende Nederlandse normen en waarden en wetgeving, verwachten dat een correcte lijkschouw plaatsheeft met het doel zoals de wet beoogt.
Voor nabestaanden ontstaat bij een correcte lijkschouw duidelijkheid of sprake is van een natuurlijke doodsoorzaak door ziekte, of sprake is van een correcte zorgverlening tijdens de laatste levensfase van hun familielid of dat de dood is ingetreden door toedoen / tekortkomingen van derden.
Nabestaanden hebben recht op duidelijkheid! Deze duidelijkheid biedt nabestaanden mede de mogelijkheid voor een goede start van het rouwproces.
Overledenenzorg algemeen
Nabestaanden hebben veelal geen duidelijkheid omtrent de mogelijkheden rond overledenenzorg. Nabestaanden zien uitvaartdienstverlening veelal als een noodzakelijke dienstverlening welke verplicht moet worden ingeschakeld.
Nabestaanden zien overledenenzorg- en uitvaartdienstverlening veelal niet als een commerciële dienstverlening. Door onwetendheid over de mogelijkheden en de aard van overledenenzorg- en uitvaartdienstverlening krijgen nabestaanden te maken met een zeer commerciële dienstverlening. Onwetendheid en het moeten maken van “commerciële” keuzes tijdens een zeer emotionele periode kan leiden tot zeer onwenselijke situaties.
De wet schept voor de nabestaanden geen duidelijkheid omtrent overledenenzorg- en uitvaartdienstverlening in het algemeen.
De wet schept voor de nabestaanden geen duidelijkheid omtrent de commercie van overledenenzorg- en uitvaartdienstverlening.
De wet geeft nabestaanden weinig duidelijkheid over de vrijheid van keuze voor overledenen- en uitvaartzorg.
De wet schept voor de nabestaanden geen duidelijkheid omtrent de professionaliteit van dienstverlening voor waar het overledenenzorg betreft.
Normen en waarden
Door tekortkomingen in de wetgeving, zoals in geval van de lijkschouw, bestaat invulling van de zorg voor de overledene voor een groot deel uit de individuele interpretatie van de wet en de persoonlijke normen en waarden van de “professional”. Deze interpretatie kan, mede door gebrek aan kennis (opleiding), anders zijn dan de wet beoogt of anders dan de algemene normen en waarden zoals in Nederland gelden.
Een goede en duidelijke wetgeving zorgt ervoor dat onwenselijke zaken, zoals beschreven, worden voorkomen, dat duidelijkheid ontstaat over professionaliteit en invulling van dienstverlening, dat piëteitsvolle overledenenzorg plaatsheeft, dat sprake is van bescherming van nabestaanden en dat overledenenzorg in elk geval plaatsheeft binnen de kaders van de algemeen geldende Nederlandse normen en waarden.
De Wet op de Lijkbezorging (Wlb): Algemeen
De Wet op de Lijkbezorging zoals deze nu bestaat betreft een wet uit 1991. Op 1 januari 2010 heeft een wijziging van de Wet op de Lijkbezorging plaatsgevonden.
Tijdens behandeling van deze wetswijziging hebben de minister van Binnenlandse Zaken (waar de Wlb onder valt), Kamerleden der Tweede Kamer en de verschillende ambtenaren op het Ministerie van Binnenlandse Zaken aangegeven dat het aan de beroepsgroep is om richtlijnen op te stellen voor de uitvoering van de verschillende onderdelen in deze wet. Bij invoering van de wetswijziging op 1 januari 2010 is dan ook gebleken dat geen wetgeving is opgenomen voor wat betreft:
De professionaliteit van de overledenenzorg- en uitvaartbranche. De politiek heeft aangegeven dat “de branche” zelf in eventuele regels en handleidingen moeten voorzien.
De lijkschouw, waarin volgens de politiek de medische beroepsgroep zelf in een goede handleiding moet voorzien om de lijkschouw uit te voeren met het doel zoals de wet beoogt.
De politiek heeft op dit moment het idee dat sprake moet zijn van zo min mogelijk wet- en regelgeving. Overledenenzorgpro.nl vindt dat door deze houding wordt voorbijgegaan aan de kwaliteit van de lijkschouw met het doel zoals de wet beoogt, de kwaliteit van de overledenenzorg in Nederland, de bescherming van de nabestaanden die in een veelal emotionele toestand commerciële beslissingen moeten nemen en de algemene normen en waarden zoals wij in Nederland tegen overlijden, de dood en de zorg voor de overledenen aankijken.
Verschillende professionals zoals medici, medewerkers van justitie en medewerkers overledenenzorg- en uitvaartbranche hebben tijdens de wetswijziging de tekortkomingen in de Wet op de Lijkbezorging aangegeven met daarbij voorstellen tot verbetering van deze wet. Helaas zijn bij de wetswijziging adequate wijzigingen niet doorgevoerd waardoor onwenselijke omstandigheden blijven bestaan.
De Wet op de Lijkbezorging (Wlb): Lijkschouw
Voor wat betreft de lijkschouw is op 1 januari 2010 in de wet (Wlb) de tekst opgenomen dat “de lijkschouw zo spoedig mogelijk na het overlijden moet worden gerealiseerd”. Volgens overledenenzorgpro.nl is deze regelgeving onduidelijk en onderhevig aan individuele interpretatie en de invulling van de schouwarts. Deze regel op zich voegt niets toe aan regelgeving met betrekking tot de kwaliteit van de lijkschouw.
Handreiking lijkschouw KNMG
Tijdens de wetswijziging van de Wet op de Lijkbezorging heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken laten weten dat met de “Handreiking lijkschouw” van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) wordt voorzien in een goede instructie.
Desondanks heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken een werkgroep de opdracht gegeven te voorzien in een advies voor regelgeving voor een kwalitatief goede lijkschouw. Helaas werkt deze werkgroep, die overigens op de hoogte is van de handleidingen van overledenenzorgpro.nl, met een schrikbarend laag tempo waardoor een advies nog lang, mogelijk jaren, op zich laat wachten.
Overledenenzorgpro.nl vindt om een aantal redenen dat de handreiking van het KNMG niet conform het doel is zoals de wet beoogt. Als volgt een opsomming van de tekortkomingen in de handleiding van het KNMG…
(De handreiking van het KNMG bestaat uit antwoorden op vraagstellingen)
Slechts weinig artsen zijn op de hoogte van deze handreiking.
Deze "handreiking" betreft slechts een richtlijn. Schouwartsen hebben niet de wettelijke plicht om te werken conform een handreiking. Schouwartsen mogen zelf invulling geven aan de lijkschouw.
Deze handreiking is geschreven door artsen en vanuit het perspectief van de arts en bevat vele onjuistheden:
Om te beginnen is er de vraagstelling “Waarom moet lijkschouwing plaatsvinden?” Als antwoord wordt gegeven “Om een verklaring van overlijden (A-formulier) te kunnen afgeven.”.
Dit is onjuist. De lijkschouw dient plaats te vinden om een niet-natuurlijk overlijden uit te sluiten en in geval sprake is van een niet-natuurlijke dood de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen.
Bij het antwoord op de vraagstelling “Wat is het verschil tussen natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden?” is deze handleiding niet volledig. Als antwoord wordt gegeven: Natuurlijk overlijden is overlijden door spontane ziekte of ouderdom, inclusief een complicatie van een ‘lege artis’ uitgevoerde medische behandeling. Niet-natuurlijk overlijden is overlijden als direct of indirect gevolg van een ongeval, geweld of een andere van buiten komende oorzaak, schuld of opzet van een ander of zelfmoord. (Ook bij een aperte medische fout of niet regulier medisch handelen is er sprake van niet natuurlijk overlijden).
In het item “Natuurlijk / niet-natuurlijk overlijden” staat aangegeven wat door overledenenzorgpro.nl onder een natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden wordt verstaan.
Bij de vraagstelling “Wie mag een lijkschouwing verrichten?” wordt een onvolledig antwoord gegeven. Als antwoord staat: Een behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer. Beiden mogen geen huwelijks- of familiebanden hebben (gehad) met de overledene of met de moeder van de doodgeborene. De gemeentelijk lijkschouwer mag de afgelopen 2 jaar ook geen behandelrelatie met hen hebben gehad. Een waarnemer mag ook optreden als behandelend arts maar omdat hij vaak onbekend is met de patiënt, is wel voorzichtigheid geboden. Voor het invullen van het B-formulier is vaak inzage in de medische gegevens of overleg met de behandelend arts nodig. (Een waarnemer mag een verklaring van overlijden afgeven indien hij/zij op goede gronden overtuigd is van natuurlijk overlijden)
De vermelding ontbreekt dat een arts op de spoedeisende hulp op moment van inzetten behandeling volgens de wetgever ook een behandelend arts betreft (dit zonder dat deze in de meeste gevallen op de hoogte is van de casus van de patiënt).
Ook staat er de vermelding dat voor de waarnemend arts “voorzichtigheid is geboden”. Er staat geen vermelding waarom “voorzichtigheid is geboden”. Ook ontbreekt vermelding van handelswijzen hoe de waarnemend arts geacht wordt deze “voorzichtigheid” in acht te nemen.
In deze handreiking evenals in de Wet op de Lijkbezorging staat vermeldt dat de gemeentelijk lijkschouwer de 2 voorgaande jaren geen behandelrelatie met de overledene mag hebben gehad. Dit heeft een rede. Deze reden wordt voor de discipline die in de eerste instantie de lijkschouw verricht, namelijk de behandelend arts, niet gehanteerd. Uiteraard is dit niet mogelijk. Een arts is geen behandelend arts als hij de voorgaande 2 jaren voor overlijden ook geen behandelrelatie met de patiënt had. Merkwaardig is wel dat in de wet dergelijke voorwaarden worden gesteld aan de gemeentelijke lijkschouwer -de persoon die doorgaans bij een lijkschouw in de tweede instantie de doodsoorzaak onderzoekt-, terwijl de behandelend schouwarts -de persoon die in de eerste instantie de doodsoorzaak, evenals zijn eigen functioneren onderzoekt- de wet niet dergelijke restricties oplegt. Om deze rede is Overledenenzorgpro.nl van mening dat in de toekomst iedere lijkschouw door een onafhankelijke arts dient te worden gerealiseerd!
Bij de vraagstelling “Wat houdt een lijkschouwing in?” staat het onvolledige antwoord:
een door een arts persoonlijk uitgevoerd, uitwendig onderzoek (inspectie, zo nodig palpatie, percussie en temperatuurmeting) van het hele lijk;
een onderzoek naar de omstandigheden waaronder het overlijden plaatsvond;
het beoordelen of wel/niet sprake is van een natuurlijke dood;
het uitschrijven van de overlijdenspapieren (A- en B-formulier), althans als de arts overtuigd is van een natuurlijke dood.
Verschillende aspecten van de schouw worden in deze handreiking vergeten. In het item “Uitvoering lijkschouw” wordt aangegeven welke aspecten dienen te worden meegenomen bij een goede lijkschouw.
Bij de vraagstelling “Waar moet u op letten?” staan de volgende punten aangegeven:
Is sprake van overlijden? Let hierbij vooral op de aanwezigheid van lijkvlekken, lijkstijfheid, lichtstijfheid van de pupillen en vervormbaarheid van de cornea. (Opm. FOMAT: Hier wordt natuurlijk de vervormbaarheid van de pupillen bedoeld)
Dit punt is om de het intreden van de dood vast te stellen. Het vaststellen van de dood heeft echter niets van doen met de lijkschouw zoals de wet beoogt. Uiteraard dient de schouwarts de dood vast te stellen om te voorkomen dat de lijkschouw op een nog levende persoon wordt uitgevoerd. Het vaststellen van het intreden van de dood dient echter voor de lijkschouw plaats te vinden.
Aard en oorzaak van overlijden. Let ook op geur en plaats van het lijk, aanwezigheid van letsels en voorwerpen op of aan het lichaam, petechiën (puntbloedinkjes) op slijmvlies van lippen en conjunctivae, biologische sporen, omgevingsfactoren en gedrag van omstanders.
Om deze informatie te kunnen verwerken en tot een conclusie te komen dient de schouwarts kennis te hebben van het proces van het lichaam na overlijden, sporen die in geval van een natuurlijk overlijden ontstaan op het lichaam en sporen die (kunnen) wijzen op een niet-natuurlijk overlijden. Met de minimale opleiding in het verleden en vandaag de dag voor wat betreft forensische geneeskunde is het twijfelachtig of artsen zonder forensische opleiding bekwaam zijn om een kwalitatief goede lijkschouw te verrichten.
Bij de vraagstelling “Wanneer moet lijkschouwing plaatsvinden?” wordt in deze handleiding geheel voorbijgegaan aan de Wet op de Lijkbezorging en de doelstelling van de lijkschouw zoals de wet beoogt. Als antwoord wordt gegeven: Zo spoedig mogelijk na overlijden. In uitzonderingsgevallen en in overleg met verzorgers of nabestaanden kan eventueel worden gewacht tot de volgende ochtend. Is op voorhand duidelijk dat sprake is van een niet-natuurlijke dood, dan hoeft de behandelend arts niet eerst zelf te schouwen. Beter is dan direct de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen. Het stoffelijk overschot moet dan volledig met rust worden gelaten tot er geschouwd is.
Om sporen van een natuurlijk overlijden of een niet-natuurlijk overlijden veilig te stellen dient een schouwarts altijd (in alle gevallen) zo spoedig als mogelijk te schouwen. Om deze reden dient de lijkschouw als prioriteit te worden gezien.
Met toevoeging van de wettekst “Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden…” bij de wetswijziging van 1 januari 2010 heeft de wetgever de urgentie van de lijkschouw benadrukt en dient dan ook in alle gevallen van lijkschouw gehanteerd te worden!
Met de instructie in deze handleiding geeft de schouwarts de taak tot beoordeling of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden uit handen aan nabestaanden en/of verpleging. Daarbij komt ook dat de nabestaanden en/of verpleging partij kunnen zijn in de beoordeling van de schouwarts of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden.
Het is op dit moment meer regel dan uitzondering dat in geval de schouwarts een verlate lijkschouw realiseert de spelregels niet conform de wet worden verlegd. De beoordeling of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden wordt dan veelal overgelaten aan nabestaanden of verpleging. In zeer veel gevallen heeft voor aanvang van de verlate lijkschouw door de behandelend arts met instemming van deze arts (en de instelling) de overledenenzorg door verpleging, mortuariumbeheer of uitvaartondernemer plaats. Sporen die kunnen bijdragen tot de conclusie van de schouwarts worden tijdens overledenenzorg, verplaatsing van de overledene en opruimen van de omgeving waar het overlijden heeft plaatsgevonden grondig verwijderd.
Veel artsen / instellingen hanteren de term “verwacht overlijden”. De gedachtegang is dat in geval van een “verwacht overlijden” per definitie ook sprake is van een natuurlijke doodsoorzaak met als gevolg dat geen prioriteit wordt gegeven aan de lijkschouw. De term “verwacht overlijden” wordt dan ook vaak gebruikt om een lage prioriteit te geven aan de lijkschouw waarbij bijna altijd de laatste zorg plaatsheeft voor aanvang lijkschouw.
Deze handelswijze gaat in tegen de doelstelling van de lijkschouw zoals de wet beoogt. Een “verwacht overlijden” wil niet per definitie zeggen dat ook sprake is van een natuurlijke doodsoorzaak!
Bij de vraagstelling “Wat moet er na lijkschouwing gebeuren?” staan het volgende aangegeven:
Als u weet wie de overledene is en overtuigd bent van een natuurlijk overlijden, dan vult u zowel de verklaring van overlijden (A-formulier) als de doodsoorzakenverklaring (B-formulier) in. Meestal gaat het A-formulier mee met de familie of de begrafenisondernemer. De wet gaat er vanuit dat dezelfde arts die het A-formulier ondertekent tegelijkertijd ook het B-formulier ondertekent. Bij waarneming kan dat wat later zijn omdat daarvoor meestal de eigen arts moet worden geraadpleegd. Gebruik altijd de officiële formulieren met bijbehorende envelop. U kunt deze aanvragen bij de gemeente. Als u niet overtuigd bent van een natuurlijk overlijden of vermoedt of zeker weet dat sprake is van niet-natuurlijk overlijden, dan schakelt u onmiddellijk de gemeentelijk lijkschouwer in.
Deze handreiking gaat echter vanuit de visie van de medische beroepsgroep.
De wet beschrijft dat de A en de B verklaring tegelijk door de schouwarts dienen te worden afgegeven.
In de praktijk komt het met grote regelmaat voor dat de B-verklaring niet of verlaat wordt aangeleverd. In sommige gevallen is het voor een uitvaartondernemer een heel getouwtrek om de B-verklaring alsnog te bemachtigen.
Ook medici dienen zich aan de wetgeving te houden. Medewerkers overledenenzorg / uitvaartzorg dienen er dan ook niet mee akkoord te gaan als de A en B verklaring niet tegelijkertijd worden aangeleverd door de schouwarts.
In Nederland bestaat de Wet op de Lijkbezorging (Wlb). In deze wet staat het doel van de lijkschouw als volgt:
"Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak."
De lijkschouw heeft dus als doel een niet-natuurlijk overlijden uit te sluiten en niet zoals de algemeen heersende gedachtegang om (het intreden van) de dood vast te stellen.
Er zijn twee belangrijke redenen waarom een goede uitvoering van deze wet van belang is:
Er wordt onderzoek gedaan of een overlijden een natuurlijk overlijden of een niet-natuurlijk overlijden betreft.
In geval van een niet-natuurlijk overlijden is sprake van vervolgonderzoek:
Schuldvraag wordt onderzocht en eventuele schuldigen worden bestraft.
Indien van toepassing worden procedures en omstandigheden gewijzigd waardoor in de toekomst een dergelijk niet-natuurlijk overlijden mogelijk wordt voorkomen.
Deze wet en een goede uitvoering van deze wet maken het verschil tussen een geciviliseerd land en een bananenrepubliek!
Een goede uitvoering van deze wet zegt iets over de normen en waarden zoals een land die hanteert.
Deze wet hangt ook nauw samen met andere Nederlandse wetgeving zoals de:
De kwaliteit van de lijkschouw maakt naast het herkennen van de doodsoorzaak en de kennis van natuurlijk overlijden en niet-natuurlijk overlijden deel uit van de lijkschouw met het doel zoals de wet beoogt.
Deze combinatie maakt dat de schouwarts tot een weloverwogen conclusie kan komen of de doodsoorzaak een natuurlijk overlijden of niet-natuurlijk overlijden betreft?
Alvorens een beschrijving te geven van de handelswijze voor een goede lijkschouw dient een veel voorkomende verkeerde veronderstelling over het vaststellen van de dood te worden opgehelderd.
Het vaststellen van (het intreden) van de dood
Een veel voorkomende algemene gedachtegang is, dat het doel van de lijkschouw is om (het intreden van) de dood vast te stellen.
Het constateren van (het intreden van) de dood maakt geen deel uit van de lijkschouw!
In de wet staat het constateren van (het intreden van) de dood niet benoemd.
Het constateren van (het intreden van) de dood is daardoor geen voorbehouden handeling. Iedereen in Nederland mag dan ook (het intreden van) de dood vaststellen.
Voor aanvang lijkschouw dient de schouwarts (het intreden van) de dood wel vast te stellen. Met het vaststellen van (het intreden van) de dood wordt voorkomen dat de lijkschouw wordt verricht op een nog levende persoon.
Er zijn verschillende manieren om (het intreden van) de dood vast te stellen. Altijd dient een combinatie van controles te worden verricht om de dood vast te stellen. De combinatie van de onderstaande symptomen wijst erop dat de dood is ingetreden. Los van elkaar kunnen onderstaande symptomen wijzen op lichamelijk disfunctioneren bij een levende persoon.
Langdurig afwezig zijn van de ademhaling;
Langdurig afwezig zijn van de hartslag (kan worden vastgesteld door voelen, middels een stethoscoop of middels een ECG);
Niet aanspreekbaar zijn;
Niet reageren op pijnprikkel;
Het afwezig zijn van pupilreactie;
Afname van oogboldruk;
Het dof worden van de ogen;
Het afwezig zijn van hersenactiviteit (kan worden vastgesteld middels een EEG).
Behandelend artsen die de lijkschouw verrichten op een verzorgde, geklede, gekoelde overledene (dit is in schrikbarend veel gevallen het geval) stellen slechts (het intreden van) de dood vast en verrichten niet de lijkschouw met het doel zoals de wet beoogt om een niet-natuurlijk overlijden uit te sluiten.
Handleiding lijkschouw volgens de doelstelling zoals de wet (wlb) beoogt
Voorwaarden voor het uitsluiten van een niet-natuurlijk overlijden zijn:
Dat eventueel aanwezige sporen van het overlijdensproces of sporen die mogelijk tot het overlijden hebben geleid intact worden gehouden tot het moment van de schouw. Deze gegevens kan de behandelend arts meenemen in zijn conclusie.
De behandelend schouwarts geeft prioriteit aan de lijkschouw. De schouw heeft spoedig na overlijden plaats omdat dan de kans het grootst is dat sporen die tot de dood hebben geleid intact blijven. Om de behandelend schouwarts de gelegenheid te geven andere werkzaamheden af te ronden of over te dragen en ter plaatse te komen voor het verrichten van de lijkschouw is volgens overledenenzorgpro.nl een reëel tijdsbestek van schouwing binnen 3 uur na constatering (of na melding) overlijden altijd mogelijk. Goede bijkomstigheid is, dat binnen dit tijdsbestek de rigor mortis veelal nog niet geheel is ingetreden waardoor een goede overledenenzorg (eventueel in bijzijn van de nabestaanden) na de lijkschouw mogelijk is.
Dat de arts die de schouw verricht op de hoogte is van de casus van de patiënt. Deze kennis draagt bij tot de conclusie of het overlijden een natuurlijk of (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden betreft.
Dat omgevingsfactoren op de plaats van overlijden in stand worden gehouden tot aan de lijkschouw zodat deze gegevens kunnen bijdragen aan de conclusie van de arts of het overlijden een natuurlijke dood betreft of niet (een verwijderd doorgeschoten infuus draagt niet bij aan de conclusie, een aanwezig doorgeschoten infuus draagt mogelijk wel bij aan de conclusie van de arts).
Dat men de overledene onaangeroerd laat tot aan het moment dat de schouw plaatsheeft. Dit om sporen die bijdragen tot de conclusie intact te laten.
Dat geen overledenenzorg plaats heeft tot na de schouw. Dit zodat sporen die kunnen bijdragen aan de conclusie aanwezig en intact blijven.
Dat informatie en bevindingen van derden aanwezig zijn en in stand worden gehouden. (Een print van de ECG en de bevindingen van de ambulancedienst kunnen bijvoorbeeld bijdragen tot de conclusie).
Dat eventuele getuigen die kennis hebben van de omstandigheden van het overlijden beschikbaar zijn. Informatie van getuigen kunnen door de behandelend arts worden meegenomen in zijn/haar conclusie.
Een goede lijkschouw
Bij een goede lijkschouw wordt door de behandelend arts de casus (achtergrondinformatie / medisch dossier / verpleegkundig dossier) van de overledene doorgenomen, worden omgevingsfactoren bekeken die kunnen hebben bijgedragen tot het overlijden, wordt eventueel aanvullende informatie getoetst (zoals bestaande eeg / ecg / laboratoriumgegevens), wordt een grondig uitwendig lichamelijke onderzoek verricht (uitwendige schouw) en worden eventuele getuigen gehoord.
Uitwendige schouw
De schouw zoals in de wet benoemd om een niet natuurlijk overlijden uit te sluiten wordt door de behandelend arts verricht door middel van een uitwendige schouw. Tijdens de uitwendige schouw van de overledene kan de behandelend arts gebruikmaken van:
Reuk (een bepaalde geur kan wijzen op natuurlijk / niet-natuurlijk overlijden);
Zien (houding, verkleuring en verwonding zijn mogelijke aanwijzingen voor een natuurlijk of niet-natuurlijk overlijden);
Palpatie / voelen (door voelen kan uitwendig weefsel en onderliggend weefsel worden onderzocht).
Na een overlijden is het aan de nabestaanden om opdracht te geven tot het verzorgen van de overledene (ook wel “de laatste zorg”, “de laatste verzorging” of het “afleggen” van de overledene). Deze zorgverlening door de zorginstelling of uitvaartondernemer aan de overledene betreft bijna altijd commerciële dienstverlening. Nabestaanden (de opdrachtgever) ontvangen voor deze dienstverlening, eventueel via de uitvaartondernemer, een rekening.
De laatste zorg kan in opdracht van de nabestaanden worden verricht door:
Verpleging zorginstelling;
Mortuariumbeheer zorginstelling;
Uitvaartondernemer;
Overledenenverzorgende;
Familie van de overledene (nabestaanden);
Wasmannen / wasvrouwen (in de verschillende culturen en religies);
Eenieder die opdracht krijgt van de nabestaanden en wil voorzien in de laatste zorg.
In de wet (Wlb) staat niet beschreven wanneer de laatste zorg van de overledene aanvang mag hebben. In principe mag met de laatste zorg worden begonnen als de nabestaanden hiervoor opdracht geven.
De wet stelt expliciet één uitzondering. In geval van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden mag geen overledenenzorg plaatsvinden, maar dient onverwijld (zonder uitstel) de gemeentelijk lijkschouwer te worden gewaarschuwd.
Overledenenzorg voor lijkschouw
In de praktijk komt het met zeer grote regelmaat voor dat overledenenzorg plaatsheeft voor aanvang lijkschouw. Mag dit?
In de wet (Wlb) staat het doel van de lijkschouw beschreven, namelijk:
“Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.”
Een schouwarts kan zich alleen overtuigen dat sprake is van intreden van de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak als sprake is van een gedegen onderzoek.
Om een gedegen onderzoek te kunnen verrichten is de schouwarts afhankelijk van informatie. Deze informatie is onder andere afkomstig van de overledene en uit de omgeving waar het overlijden heeft plaatsgevonden. Zie voor meer informatie over het onderzoek het item “Uitvoering lijkschouw”.
Informatie van de overledene
Tijdens overledenenzorg worden sporen die kunnen bijdragen aan het onderzoek van de schouwarts verborgen onder kleding, gewijzigd of verwijderd. Om ervoor te zorgen dat sprake is van een gedegen onderzoek dienen dergelijke sporen zichtbaar en intact te blijven zodat de schouwarts tot een weloverwogen conclusie kan komen.
Informatie omgeving
Lichamelijk onderzoek van de overledene betreft slechts een deel van “de lijkschouw”. Informatie uit de omgeving waar overlijden heeft plaatsgevonden kan bijdragen tot de conclusie van de schouwarts. Om een gedegen onderzoek mogelijk te maken dient deze informatie voor de schouwarts beschikbaar te zijn. Op een moment dat overledenenzorg plaatsheeft worden ook deze sporen gewijzigd of verwijderd.
In de wet staat dus niet dat geen overledenenzorg mag plaatsvinden voor de lijkschouw. Wel staat in de wet dat de schouwarts overtuigd moet zijn van zijn/haar conclusie dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Overtuiging zoals de wet beoogt is alleen mogelijk na een gedegen onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek dient dan ook de aanwezige informatie in stand te worden gehouden.
Overledenenzorgpro.nl meent dan ook dat, vanwege het doel van de lijkschouw zoals de wet beoogt, aanvang overledenenzorg niet mag plaatsvinden voordat de lijkschouw is gerealiseerd.
“Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.”
Elders in de Wet op de Lijkbezorging staat vermelding van de term “niet-natuurlijke dood”.
In de praktijk worden voor deze begrippen ook wel de termen “natuurlijk overlijden” en “niet-natuurlijk overlijden” gebruikt.
Om het doel van de lijkschouw te realiseren is het van belang dat een schouwarts onderscheidt kan maken tussen het verschil in “natuurlijk overlijden” en “niet-natuurlijk overlijden”. Aan de hand van deze bevinding schrijft de behandelend schouwarts de overlijdenspapieren uit, of schakelt de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer in.
De termen “natuurlijk overlijden” en “niet-natuurlijk overlijden” zijn duidelijke termen. Vreemd genoeg staat in de wet niet beschreven wat onder een “natuurlijk overlijden” en een “niet-natuurlijk overlijden” wordt verstaan. Voorbeelden:
Overlijden door een auto-ongeluk is een duidelijk voorbeeld van een niet-natuurlijk overlijden, maar wat nu als het ongeval ontstond doordat de bestuurder tijdens het rijden stierf aan een hartaanval?
Tijdens bedlegerigheid overlijden aan bedcomplicaties wordt doorgaans gezien als een natuurlijke overlijden. Maar wat nu als de bedlegerigheid gevolg was van een eerder deze week opgelopen heupfractuur?
Overlijden aan bedcomplicaties tijdens een coma die is ontstaan ten gevolge van een ongeluk eerder in de maand. Is dit een natuurlijk overlijden? Overlijden aan bedcomplicaties tijdens een coma die twintig jaar eerder is ontstaan ten gevolge van een ongeluk. Is dit een natuurlijk overlijden?
Overlijden door een anafylactische shock door medicijntoediening tijdens een medische behandeling betreft een natuurlijke reactie van het lichaam, maar betreft dit overlijden ook een natuurlijk overlijden?
Zoals u kunt zien zijn de termen “natuurlijk overlijden” en “niet-natuurlijk overlijden” duidelijk, maar is de invulling van deze termen in veel situaties onduidelijk.
Voor een goede lijkschouw is het dus van belang om op de hoogte te zijn van de termen “natuurlijk overlijden” en “niet-natuurlijk overlijden”!
Naast de termen “natuurlijk overlijden” en “niet-natuurlijk overlijden” wordt in de praktijk ook veelvuldig gebruik gemaakt van de term “vermoedelijk niet-natuurlijk overlijden”. Deze term wordt gebruikt op een moment dat:
De behandelend arts niet overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak;
Op een moment dat sprake is van een onduidelijke grens tussen “natuurlijk overlijden” en “niet-natuurlijk overlijden”;
Op een moment dat op de behandelend schouwarts het overlijden overkomt als een “niet-natuurlijk overlijden”, maar deze niet direct kan overzien of zijn vermoeden voor “niet-natuurlijk overlijden” ook de primaire doodsoorzaak betreft;
Op een moment dat de doodsoorzaak eruit ziet als een “natuurlijk overlijden”, maar de omgevingsomstandigheden wijzen op een mogelijk “niet-natuurlijk overlijden”;
Op een moment dat de doodsoorzaak eruit ziet als een “natuurlijk overlijden”, de omgevingsomstandigheden ook wijzen op een “natuurlijke overlijden”, maar als derden informatie of vermoedens hebben van een “niet-natuurlijk overlijden”;
Op een moment dat sprake is van overlijden tijdens een medische ingreep of de voorbereidingen van een medische ingreep.
In geval van een “niet-natuurlijk overlijden” en een “vermoedelijk niet-natuurlijk overlijden” dient de behandelend schouwarts altijd onverwijld (zonder uitstel) de gemeentelijke lijkschouwer telefonisch te consulteren.
Als tijdens de lijkschouw door de behandelen schouwarts sprake is van constatering van een “niet-natuurlijk overlijden” of een “vermoedelijk niet-natuurlijk overlijden” dient deze de lijkschouw onmiddellijk te staken en zijn bevindingen onverwijld (zonder uitstel) telefonisch over te dragen aan de gemeentelijke lijkschouwer.
Eén van de aspecten voor een goede lijkschouw zoals de wet beoogt is het herkennen van de doodsoorzaak en het kunnen maken van de scheiding tussen een “natuurlijk overlijden” en een “niet-natuurlijk overlijden”. Op dit moment zijn In Nederland verschillende onduidelijke en onvolledige handleidingen en protocollen in omloop, waarin “natuurlijk overlijden” en “niet-natuurlijk overlijden” worden uitgelegd. Deze protocollen en handleidingen kunt u het beste negeren omdat hierdoor procedures en handelswijzen ontstaan die niet conform de doelstelling zijn zoals de wet beoogt.
Overledenenzorgpro.nl heeft de volgende richtlijn opgesteld ten aanzien van “natuurlijk overlijden” en “niet-natuurlijk overlijden”:
Natuurlijke doodsoorzaak
(De behandelend schouwarts mag de verklaring van overlijden afgeven)
Overlijden door ziekte
Ziekte ontstaan door natuurlijke processen vanuit het lichaam of vanuit de natuur.
Overlijden door “ouderdom”
Overlijden door ouderdom is een relatief begrip. Met overlijden door “ouderdom” wordt bedoelt dat gezien de hoge leeftijd lichamelijke gebreken kunnen optreden (ziekte) met de dood tot gevolg. In dit geval is ziekte opgetreden door natuurlijke processen vanuit het lichaam, en niet door toedoen van derden, eerder lichamelijk trauma of niet-natuurlijke oorzaken van buitenaf.
Niet-natuurlijke doodsoorzaak
(De gemeentelijke lijkschouwer dient te aller tijden onverwijld (zonder uitstel) telefonisch te worden ingeschakeld. De behandelend arts mag geen verklaring van overlijden afgeven!)
Overlijden door ziekte
Ziekte ontstaan door toedoen van derden, tengevolge van eerder opgelopen lichamelijk trauma of tengevolge van mechanisch of chemisch trauma.
Overlijden door ongeval
Lichamelijk trauma opgelopen door eigen toedoen of door toedoen van derden zonder dat sprake is van opzet (tengevolge van mechanisch of chemisch trauma).
Overlijden door suïcide
Het met opzet zelf toebrengen van lichamelijk letsel met de dood tot gevolg (zelfmoord).
Overlijden door mishandeling met de dood tot gevolg (doodslag en moord)
Overlijden door persoonlijk toedoen van derden.
Overlijden door hulp bij suïcide (zelfmoord)
Het met opzet toebrengen van lichamelijk letsel met de dood tot gevolg met hulp van derden (zelfmoord met hulp).
In geval hulp bij suïcide geen medische toepassing betreft dient de behandelend arts onverwijld (zonder uitstel) telefonisch melding te maken aan de gemeentelijke lijkschouwer;
In geval de hulp bij suïcide een medische toepassing betreft dient de behandelend arts zich te hebben gehouden aan de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Na het intreden van de dood dient de behandelend arts onverwijld (zonder uitstel) telefonisch melding te maken aan de gemeentelijke lijkschouwer.
Overlijden door euthanasie
Het op hun eigen verzoek bewust doen eindigen van het leven van patiënten die ondraaglijk en uitzichtloos lijden (medische handeling). Bij de toepassing van euthanasie dient de behandelend arts zich te hebben gehouden aan de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Na het intreden van de dood dient de behandelend arts onverwijld (zonder uitstel) telefonisch melding te maken aan de gemeentelijke lijkschouwer.
Overlijden door technische onjuist, onjuist gedoseerd of onjuist geïndiceerd medisch, paramedisch of verpleegkundig handelen
Na het intreden van de dood dient de behandelend arts onverwijld (zonder uitstel) telefonisch melding te maken aan de gemeentelijke lijkschouwer.
In de praktijk ziet men twee omstandigheden van overlijden waarbij nog met zeer grote regelmaat door de behandelend schouwarts wordt verzuimd om de gemeentelijke lijkschouwer te consulteren en waarbij een verklaring van natuurlijk overlijden wordt afgegeven.
Op een moment dat sprake is van een (vermoedelijk) natuurlijk overlijden tijdens toepassing van een medische handeling (zoals bijvoorbeeld een operatie).
Om twee redenen dient de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen.
Omdat de behandelend arts zelf partij is bij de beoordeling tijdens lijkschouw;
Zodat op een later moment niet kan worden getwijfeld (door derden) of een overlijden te wijten is aan het functioneren van de behandelend arts.
Op een moment dat sprake is van complicaties van een eerder doorgemaakt trauma. (zoals bijvoorbeeld overlijden door bedcomplicaties tijdens het genezingsproces van een collumfractuur). Veelal worden de complicaties van een eerder opgelopen trauma gezien als een natuurlijk ziekteproces waardoor sprake is van een natuurlijke doodsoorzaak.
In geval van overlijden door de complicaties van een eerder opgelopen trauma is altijd sprake van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden. De gemeentelijk lijkschouwer dient altijd te worden ingeschakeld. Gesteld kan worden:
Dat altijd moet worden gekeken naar de primaire oorzaak van het ziekteproces dat tot de dood heeft geleid;
Dat de vraagstelling van toepassing is of de overledene ook op dit moment zou zijn overleden aan deze aandoening als geen sprake was van het eerder opgelopen trauma.
Gestelde termijn natuurlijk / niet-natuurlijk overlijden tussen trauma en overlijden
Veel artsen en zorginstellingen hanteren een termijn tussen een eerder opgelopen trauma en het overlijden om te beoordelen of al dan niet sprake is van een natuurlijk of een niet-natuurlijk overlijden. Zo komt het in de praktijk voor dat veel behandelend artsen / zorginstellingen een termijn van een half jaar aanhouden tussen opgelopen trauma en overlijden. Als een patiënt komt te overlijden binnen het half jaar na opgelopen trauma wordt de gemeentelijk lijkschouwer geconsulteerd. Als overlijden buiten de periode van het half jaar plaats heeft wordt veelal een overlijden aan een natuurlijk proces toegeschreven
In de wet wordt geen termijn gegeven voor deze beoordeling!
Altijd moet worden gekeken naar het causale verband “Was deze patiënt ook nu overleden als geen sprake was van eerder opgelopen trauma?”.
Mocht onderzoek naar het causale verband erop wijzen dat de doodsoorzaak te wijten is aan het eerder opgelopen trauma of als onduidelijkheid blijft bestaan dient de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer te consulteren!
Onderscheid kunnen maken tussen een natuurlijk overlijden en een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden maakt, naast de kwaliteit van de schouw en het herkennen van de doodsoorzaak, deel uit van “de lijkschouw” met het doel zoals de wet beoogt!
Verwacht overlijden = natuurlijk overlijden
Een onjuiste gedachtegang die veel behandelend artsen en zorginstellingen hanteren is dat een verwacht overlijden ook per definitie een natuurlijk overlijden betreft. Helaas is het veelvuldige gevolg dat de lijkschouw niet wordt gerealiseerd volgens het doel zoals de wet beoogt, of dat zelfs geen sprake is van een lijkschouw door de “behandelend schouwarts” en deze zonder de overledene te onderzoeken (of zelfs zonder de overledene te zien) de verklaring van natuurlijk overlijden uitschrijft!
De functie van gemeentelijk lijkschouwer staat als volgt benoemd in de Wet op de Lijkbezorging (Wlb):
Lijkschouwing geschiedt door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.
Burgemeester en wethouders verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. Zij benoemen één of meer gemeentelijke lijkschouwers.
Wet voor 1 januari 2010: De gemeentelijke lijkschouwers dienen bevoegd te zijn de titel van arts te voeren.
Wet vanaf 1 januari 2010: Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer.
Aanvulling in de wet: Een gemeentelijke lijkschouwer die niet is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de lijkbezorging, kan tot drie jaar na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Bb, als zodanig benoemd blijven.
Opmerking: Doelstelling is dat alleen forensische artsen in het register worden opgenomen die de opleiding tot forensisch arts hebben gevolgd.
Een gemeentelijke lijkschouwer treedt niet als zodanig op, indien hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene of de moeder van de doodgeborene handelingen op het gebied van de geneeskunst heeft verricht en indien tussen dezen en hem bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap bestond of bestaat.
Indien de gemeentelijke lijkschouwer meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, brengt hij door invulling van een formulier onverwijld verslag uit aan de officier van justitie en waarschuwt hij onverwijld de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Onverminderd het eerste lid brengt de gemeentelijke lijkschouwer, indien sprake is van een mededeling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, door invulling van een formulier onverwijld verslag uit aan de regionale toetsingscommissie bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Hij zendt het beredeneerd verslag als bedoeld in artikel 7, tweede lid, mee.
Vanaf 1 januari 2010 is in de Wet op de Lijkbezorging nog een aanvulling opgenomen met betrekking tot de lijkschouw van minderjarige personen, ook wel de NODO-procedure (Nader Onderzoek DoodsOorzaak). Als volgt Artikel 10a uit deze wet. . .
Indien de schouwing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, een minderjarige
betreft en is verricht door de behandelende arts, geeft deze een verklaring
van overlijden slechts af na overleg met de gemeentelijke lijkschouwer.
De gemeentelijke lijkschouwer kan, na de minderjarige te hebben
geschouwd, in afwijking van artikel 10, eerste lid, zorg dragen voor een
nader onderzoek naar de doodsoorzaak. Een nader onderzoek vindt niet
plaats, indien de lijkschouwer vermoedt dat het overlijden het gevolg is
van een strafbaar feit.
De behandelende arts en andere betrokken hulpverleners verstrekken
de gemeentelijke lijkschouwer die het nader onderzoek leidt, op diens
verzoek terstond de informatie dan wel inzage in of afschrift van bescheiden
over de overleden minderjarige, die hij noodzakelijk acht in het kader
van het nader onderzoek. De lijkschouwer gebruikt de informatie uitsluitend
met het doel de doodsoorzaak vast te stellen.
Na het onderzoek geeft de lijkschouwer een verklaring van overlijden
af dan wel brengt hij door invulling van een formulier onverwijld verslag
uit aan de officier van justitie en waarschuwt hij onverwijld de ambtenaar
van de burgerlijke stand.
De artikelen 2, 3 en 4 van deze wet treden echter allen pas in werking “op een bij koninklijk besluit nader te bepalen tijdstip”.
De wijziging in de wet met betrekking tot het schouwen van minderjarigen is in de wet doorgevoerd om overlijden door kindermishandeling beter te kunnen opmerken.
Het is van belang om te weten dat de NODO-procedure geen strafrechtelijk onderzoek betreft maar een neutraal aanvullend en ondersteunend onderzoek door de gemeentelijk lijkschouwer.
De functie van gemeentelijk lijkschouwer De gemeentelijk lijkschouwer betreft een medisch ambtenaar met als specialisatie het herkennen van de doodsoorzaak (met aanvullende expertise tot het herkennen van een niet-natuurlijk overlijden).
Het onderzoek van de gemeentelijk lijkschouwer bestaat uit:
Onderzoek van de overledene (uitwendige lijkschouw);
Horen van getuigen (medici, paramedici, verpleging, omstanders);
Doornemen voorgeschiedenis (in geval relevant in contact treden met behandelend arts);
Indien relevant implementatie van onderzoeksgegevens afkomstig van de politie (technische recherche).
In veel situaties bestaat een nauwe samenwerking tussen de politie (technische recherche) en de gemeentelijk lijkschouwer. Zowel de politie als de gemeentelijk lijkschouwer dienen hun bevindingen van vermoeden van (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden aan te leveren aan de officier van justitie.
De gemeentelijk lijkschouwer betreft een onafhankelijke discipline. Dit wil zeggen dat een nauwe samenwerking bestaat tussen politiediensten en de gemeentelijk lijkschouwer, maar dat de gemeentelijk lijkschouwer niet werkt in opdracht van de politie. Onderzoeksresultaten en rapportage van de gemeentelijk lijkschouwer kunnen dan ook afwijken van de informatie zoals de politie (technische recherche) aan de officier van justitie verstrekt.
Aan de hand van de onderzoeksgegevens van de gemeentelijk lijkschouwer kan deze aan de officier van justitie de noodzaak/wenselijkheid aangeven voor de verrichting van een gerechtelijke sectie/obductie (inwendige schouw van de overledene).
Gemeentelijk lijkschouwers in Nederland Van oudsher worden gemeentelijk lijkschouwers op gemeentelijk niveau benoemd door de burgermeester van de betreffende gemeente. De voorwaarden die in de wet (Wlb) gesteld worden aan de functie van gemeentelijk lijkschouwer zijn:
Wet voor 1 januari 2010: De gemeentelijke lijkschouwers dienen bevoegd te zijn de titel van arts te voeren.
Wet vanaf 1 januari 2010: Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer.
Aanvulling in de wet: Een gemeentelijke lijkschouwer die niet is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de lijkbezorging, kan tot drie jaar na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Bb, als zodanig benoemd blijven.
Een gemeentelijke lijkschouwer treedt niet als zodanig op, indien hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene of de moeder van de doodgeborene handelingen op het gebied van de geneeskunst heeft verricht en indien tussen dezen en hem bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap bestond of bestaat.
Door de voorwaarden voor de wetswijziging op 1 januari 2010 ontstonden verschillende onwenselijke situaties, zoals:
Er werd alleen gekeken naar de titel van arts. In de wet stond voor 1 januari 2010 alleen bevoegdheid door titel aangegeven, maar niet de kennis en bekwaamheid waarover een gemeentelijk lijkschouwer moet beschikken.
Door deze tekortkoming was de kwaliteit van het onderzoek van de gemeentelijk lijkschouwer dan ook erg wisselend van zeer goed tot "slecht".
Tot voor kort was er geen goede opleiding voor gemeentelijk lijkschouwers.
Er was geen plicht voor gemeentelijk lijkschouwers om bevoegd te worden door middel van opleiding. In Nederland waren (zijn tot kan tot drie jaar na de inwerkingtreding van de wetswijziging) een aantal gemeentelijk lijkschouwers dan ook niet geschoold voor de functie van gemeentelijk lijkschouwer.
Een gemeentelijke lijkschouwer treedt niet als zodanig op, indien hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene of de moeder van de doodgeborene handelingen op het gebied van de geneeskunst heeft verricht en indien tussen dezen en hem bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap bestond of bestaat.
In kleine gemeenten werd in het verleden veelal een locale huisarts aangesteld als gemeentelijk lijkschouwer. Bij een (vermoedelijk) niet natuurlijk overlijden mocht deze huisarts, in geval de overledene deze huisarts als behandelend arts had, geen lijkschouw verrichten in de functie van gemeentelijk lijkschouwer.
Vandaag de dag ziet men dat veel gemeenten de gemeentelijk lijkschouwers in groepsverband regionaal laten werken. Deze groepen gemeentelijk lijkschouwers zijn veelal ondergebracht bij een GGD (GG&GD) als overkoepelende organisatie. Deze organisatiestructuur heeft als voordeel dat:
Niet sprake is van continue beschikbaarheid van één gemeentelijk lijkschouwer, maar dat in groepsverband volgens rooster kan worden gewerkt.
Dat minder lijkschouwers een grotere regio kunnen bestrijken (kostenbesparend).
Combinatiefunctie Sommige gemeentelijk lijkschouwers werken fulltime als gemeentelijk lijkschouwer. Veel gemeentelijke lijkschouwers werken parttime als gemeentelijk lijkschouwer en werken daarnaast binnen een ander medisch specialistisch veld.
In geval het andere werk van een gemeentelijk lijkschouwer binnen dezelfde regio plaatsheeft als waar deze de functie van gemeentelijk lijkschouwer heeft, betreft de andere specialisatie veelal een vakgebied waarin de arts niet optreedt als behandelend arts.
Ingeval de gemeentelijk lijkschouwer binnen het andere werk wel als behandelend arts optreedt, ziet men veelal dat dit in een andere regio is dan waar de arts de functie van gemeentelijk lijkschouwer uitoefent.
In gebiedsdelen met veelal lage inwonersaantallen komt het nog voor dat locale huisartsen de taak van gemeentelijk lijkschouwer uitoefenen.
Opleiding gemeentelijk lijkschouwer
Tot 1 januari 2010 stelde de wet dat gemeentelijke lijkschouwers alleen de bevoegdheid diende te hebben de titel van arts te voeren. Vele gemeentelijk lijkschouwers beschikten dan ook (nog) niet over een forensische opleiding.
Door de wetswijziging van 1 januari 2010 waarin de wet stelt dat "uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register mogen worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer", worden artsen verplicht om de opleiding tot forensisch geneeskundige te volgen. Alleen artsen die de opleiding tot forensisch geneeskundigen hebben afgerond worden opgenomen in dit register.
De wet stelt dat op 1 januari 2013 dan ook alle gemeentelijk lijkschouwers ingeschreven moeten zijn in een daartoe gehouden register en dus dienen te beschikken over een relevante opleiding!
Tot 1 januari 2013 bestaat dan ook nog steeds de mogelijkheid dat in Nederland gemeentelijk lijkschouwers werkzaam zijn die niet beschikken over een relevante opleiding. Dit betekent dan ook dat de kwaliteit van de lijkschouw door gemeentelijk lijkschouwers wisselt. Lijkschouwers in georganiseerde teams van lijkschouwers hebben veelal wel de opleiding tot forensische geneeskunde gevolgd.
Wie mag de gemeentelijk lijkschouwer consulteren / inschakelen?
Doorgaans wordt de gemeentelijk lijkschouwer ingeschakeld door politiedienstverlening of door de behandelend arts van de overledene.
Verder mag eenieder die twijfelt aan een natuurlijke doodsoorzaak en informatie of vermoedens heeft van een niet-natuurlijke doodsoorzaak contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer.
Ook als wordt getwijfeld aan de kwaliteit van een gerealiseerde lijkschouw kan contact worden opgenomen met de gemeentelijk lijkschouwer!
Een gemeentelijk lijkschouwer dient zo spoedig als mogelijk te worden ingeschakeld, maar in elk geval voor begrafenis / crematie of uitvoer van een overledene naar het buitenland!
Consult gemeentelijk lijkschouwer in zorginstelling
Veel medewerkers in zorginstellingen zien het als “niet wenselijk” dat de gemeentelijk lijkschouwer onderzoek naar een doodsoorzaak verricht in de instelling/op de afdeling.
In de praktijk komt men redenen tegen als:
“Er wordt onderzoek naar ons verricht!”
“Er wordt aan ons functioneren getwijfeld!”
“We hebben iets verkeerd gedaan!”
“Dit onderzoek brengt onrust op de afdeling!”
“Er wordt naar schuldigen gezocht!”
Wat veelal ook niet als prettig wordt ervaren is dat de gemeentelijk lijkschouwer niet alleen komt. In veel gevallen is er ook de aanwezigheid van politiemedewerkers zoals een hulpofficier van justitie en een technisch rechercheur. Vooral op woon- /zorgafdelingen brengt de aanwezigheid van geüniformeerde politiemedewerkers onrust, althans. . . zo is de gedachtegang.
Het is inderdaad zo dat “het team onderzoekers” onderzoek verricht naar de doodsoorzaak en eventuele schuldvraag. In veel gevallen betreft de doodsoorzaak echter een ongeval en moet het onderzoek worden gezien als reguliere procedure. Ondanks dat een overlijden een niet-natuurlijk overlijden betreft is het goed mogelijk dat geen sprake is van schuldvraag!
Een dergelijk onderzoek kan overigens ook positief worden bekeken.
De uitkomst van het onderzoek kan uitwijzen dat medewerkers geen schuld hebben aan het overlijden en dat instelling- en afdelingsprocedures voldoen.
In geval medewerkers, omstandigheden en procedures wel hebben bijgedragen aan het niet-natuurlijk overlijden heeft de instelling de mogelijkheid om aanpassingen door te voeren om zo mogelijk in de toekomst een dergelijk niet-natuurlijk overlijden te voorkomen, wat ten goede komt aan de kwaliteit van de patiëntenzorg!
Het onderzoek kan dan ook positief worden gezien als vorm van toetsing van functioneren!
Euthanasie is een wettelijk toegestane medische toepassing voor het beëindigen van een leven.
Voorwaarden en handelwijze voor de medische toepassing van euthanasie staan beschreven in de wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Euthanasiewetgeving/Euthanasiewet).
Overlijden door de medische toepassing van euthanasie betreft altijd een niet-natuurlijk overlijden. Na intreden van de dood van de patiënt is de behandelend arts conform de wet verplicht de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen. De gemeentelijk lijkschouwer verricht de lijkschouw.
De wet “toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding” betreft een kleine, duidelijke en goed leesbare wet. U kunt op deze pagina de "Euthanasiewet" vinden.
De verklaring van overlijden / A-verklaring In de Wet op de Lijkbezorging staat:
“Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.”
Deze verklaring staat ook wel bekend onder de onjuiste benaming “de overlijdensverklaring”.
De betekenis “overlijdensverklaring” houdt in dat de schouwarts de overledene officieel dood verklaart. In de wet staat echter het constateren van (het intreden van) de dood niet benoemd en hoeft dan ook niet in enige verklaring te worden vastgelegd!
De verklaring van overlijden die een medicus na verrichting van de lijkschouw uitschrijft betreft een verklaring dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. De juiste benaming voor een dergelijke verklaring zou zijn “verklaring van natuurlijk overlijden”.
Een andere naam voor de verklaring dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is A-verklaring.
De “verklaring van natuurlijk overlijden” (verklaring van overlijden / A-verklaring) is een document dat door de staat wordt uitgegeven. Individuele gemeenten hebben de mogelijkheid om zelf een verklaring uit te geven. Het model van verklaring van overlijden staat beschreven in de wet “Besluit op de Lijkbezorging”.
In de wet staat dat de medicus die de verklaring van overlijden ondertekend ervan overtuigd moet zijn dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Overtuiging zoals de wet beoogt kan alleen worden gerealiseerd middels een gedegen onderzoek. Alle factoren voor het realiseren van en gedegen onderzoek dienen in stand te worden gehouden voor onderzoek zodat de schouwarts tot een weloverwogen conclusie kan komen.
In geval een behandelend schouwarts niet is overtuigd dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak dient deze onverwijld (zonder uitstel) de gemeentelijk lijschouwer in te schakelen. In dit geval mag de behandelend schouwarts deze verklaring niet afgeven!
In geval onderzoek door de gemeentelijk lijkschouwer uitwijst dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden, mag ook de gemeentelijk lijkschouwer deze verklaring niet afgeven. De gemeentelijk lijkschouwer zal in geval van niet-natuurlijk overlijden melding maken aan de officier van justitie.
Op de verklaring van overlijden staat:
De ondergetekende
verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;
verklaart er van overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. Krachtens artikel 6, tweede lid, Wet op de lijkbezorging is het de behandelend arts niet toegestaan als lijkschouwer op te treden, indien tussen hem en de overledene of de moeder van de doodgeborene bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad of huwelijk bestond of bestaat.
De Doodsoorzaakverklaring
In de Wet op de Lijkbezorging staat:
“Tegelijk met de afgifte der verklaring van overlijden doet de arts opgave van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek.”
Dit formulier voor verzameling van deze gegevens wordt uitgegeven door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Op dit formulier worden geen persoonsgegevens vermeldt.
Dit formulier dient dan ook alleen voor de verzameling van statistische gegevens om een beeld te vormen van overlijden in Nederland.
Verspreiding van dit formulier heeft plaats via de gemeenten en wordt door de gemeente tegelijk verstrekt met het formulier "verklaring van overlijden".
Zoals de wet voorschrijft dient de schouwarts dit formulier tegelijk af te geven met de verklaring van overlijden.
Het goed beantwoorden van de vragen op dit formulier kan alleen als een gedegen schouw heeft plaatsgevonden.
Uiteraard is de uiteindelijke doodsoorzaak altijd een hartstilstand (hartfalen) of een ademhalingsstilstand omdat in dit geval het leven definitief stopt! Het doel van het verzamelen van statistische gegevens is echter niet de loze kreet “hartfalen” of “ademhalingsstilstand”, maar het verzamelen van gegevens over ziekteprocessen die hebben bijgedragen tot het overlijden en die het uiteindelijke intreden van de dood hebben veroorzaakt. Volgens de instructies van het Centraal Bureau voor de Statistiek dienen deze gegevens te worden ingevuld!
Overigens… Overlijden door “ouderdom” wordt ook niet gezien als doodsoorzaak!
In geval van onduidelijkheid of als vragen blijven bestaan bestaat de mogelijkheid dat de medisch ambtenaar van het CBS contact opneemt met de schouwarts voor toelichting op de gegeven antwoorden.
Overlijdenspapieren algemeen Nergens in de wet staat beschreven dat het de taak van een uitvaartondernemer is om de overlijdenspapieren bij de schouwarts aan te leveren. Een schouwarts dient zelf de beschikking te hebben over de overlijdenspapieren. Overlijdenspapieren zijn te verkrijgen via de gemeente.
In geval van aanvraag van grote hoeveelheden overlijdenspapieren (door bijvoorbeeld een zorginstelling) kan het handig zijn om de overlijdenspapieren vooraf bij de gemeente te bestellen. In dit geval zorgt de gemeente ervoor dat voldoende overlijdenspapieren op voorraad zijn.
Voor 1 januari 2010: “Lijkschouwing geschiedt door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer”
Vanaf 1 januari 2010: Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.
“Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak”
In het Besluit op de Lijkbezorging staat (op de verklaring van overlijden):
“verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd.”
De wet stelt met betrekking tot de lijkschouw dus 4 belangrijke punten, namelijk:
Het verrichten van de lijkschouw betreft een voorbehouden handeling.
Dit betekent dat beoordeling of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden middels onderzoek (de lijkschouw) wordt verricht door de behandelend arts! Deze taak mag niet worden overgedragen aan andere disciplines zoals nabestaanden of de verpleging in een zorginstelling.
Dat de schouwarts overtuigd moet zijn dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.
Overtuiging zoals de wet beoogt kan alleen worden gerealiseerd als sprake is van een gedegen onderzoek (de lijkschouw).
Dat de schouwarts persoonlijk het onderzoek (de lijkschouw) moet verrichten om zich ervan te overtuigen of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden.
Dat vanaf 1 januari 2010 wettelijk prioriteit moet worden gegeven aan de lijkschouw zoals beoogt door de wettekst “Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden”, zodat informatie in stand blijft waardoor de schouwarts tot de overwogen conclusie kan komen of het overlijden een al dan niet natuurlijk overlijden betreft.
Doel lijkschouw Het doel van de lijkschouw is om onderzoek te verrichten of sprake is van een natuurlijk overlijden of een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden.
Het doel van de lijkschouw is dus niet het constateren of sprake is van (het intreden) van de dood
Bij realisatie van een correcte lijkschouw zoals de wet beoogt:
Wordt een natuurlijk overlijden / (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden opgemerkt;
Kan de schouwarts verklaren dat hij/zij overtuigd is dat sprake is van een natuurlijk overlijden en dit vastleggen in de verklaring van natuurlijk overlijden;
Kan de schouwarts opmerken dat sprake is van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden en de casus onverwijld (zonder uitstel) overdragen aan de gemeentelijk lijkschouwer voor nader onderzoek. De behandelend schouwarts vult geen verklaring van overlijden in.
De gemeentelijk lijkschouwer is te bereiken via de GGD (GG&GD) of de meldkamer van de politie.
Worden geldende Nederlandse normen en waarden in stand gehouden;
Een natuurlijk overlijden wordt geaccepteerd;
Een niet-natuurlijk overlijden wordt verder onderzocht zodat:
Eventuele schuldigen kunnen worden bestraft;
Procedures kunnen worden gewijzigd zodat een dergelijk niet-natuurlijk overlijden mogelijk in de toekomst kan worden voorkomen;
Omstandigheden kunnen worden gewijzigd zodat een dergelijk niet-natuurlijk overlijden mogelijk in de toekomst kan worden voorkomen.
Wordt medisch, paramedisch en verpleegkundig handelen getoetst;
Dit geeft mogelijk informatie over de kwaliteit van eventuele behandeling en zorg.
Ontstaat bij nabestaanden duidelijkheid;
Of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden;
Over correctheid zorgverlening (indien van toepassing).
Wordt voorkomen dat andere disciplines op een later moment in de zorgverlening voor de overledene stuiten sporen die kunnen wijzen op een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden, waardoor zij genoodzaakt zijn de gemeentelijk lijkschouwer te consulteren en de eerdere verklaring van natuurlijk overlijden zoals is uitgeschreven door de behandelend arts in twijfel trekken.
Voorwaarden voor een goede lijkschouw Sporen dienen in stand te worden gehouden. Deze informatie kan door de behandelend schouwarts worden geïnterpreteerd zodat deze tot een weloverwogen conclusie kan komen of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden.
Omstandigheden van het moment van overlijden dienen in stand te worden gehouden. Hieronder wordt verstaan dat:
De overledene onaangeroerd blijft tot aan het onderzoek van de schouwarts;
Medische apparatuur wordt uitgezet/stilgezet, maar niet wordt weggenomen tot aan het onderzoek van de schouwarts;
De omgeving wordt “bevroren”. Alles blijft staan zoals tijdens het moment van overlijden. Niets wordt opgeruimd, verwijderd of verplaatst.
Vaststellen van (het intreden van) de dood Alvorens aanvang lijkschouw dient de behandelend schouwarts (het intreden van) de dood vast te stellen. Het vaststellen van (het intreden van) de dood maakt geen deel uit van het doel van de lijkschouw zoals de wet beoogt!
Informatie over het vaststellen van (het intreden van) de dood kunt u vinden is het hoofdstuk Uitvoering lijkschouw
Het onderzoek “De lijkschouw”
Tijdens de (lijk)schouw heeft onderzoek plaats van:
De omgeving;
Medische toepassingen (indien relevant);
De overledene (de daadwerkelijke lijkschouw);
Informatie uit de casus van de patiënt (achtergrondinformatie);
Informatie uit medisch dossier, elektronisch patiëntendossier en indien relevant het verpleegkundig dossier;
Eerder en acuut medisch/paramedisch/verpleegkundig handelen (indien van toepassing);
Aanvullende informatie zoals een eeg, ecg, relevante laboratoriumonderzoeken enzovoort;
Bevindingen van derden zoals nabestaanden, professionals en andere getuigen.
Bij het gehele onderzoek dient de schouwarts bedacht te zijn op sporen die wijzen op een niet-natuurlijke dood en moet de doodsoorzaak helder zijn.
Zowel onduidelijkheid over de doodsoorzaak als onduidelijkheid of het overlijden een natuurlijk overlijden betreft zijn redenen om de gemeentelijk lijkschouwer te consulteren!
Handelswijzen voor de uitvoering van een correcte lijkschouw met het doel zoals de wet beoogt kunt u vinden in hoofdstuk 6: Uitvoering lijkschouw
Tijdsbestek lijkschouw De lijkschouw dient zo spoedig als mogelijk na een overlijden plaats te vinden. Gevaar bestaat dat bij een verlate lijkschouw sporen op de overledene en in de omgeving wijzigen of verloren gaan.
In de wetswijziging van 1 januari 2010 is een wijziging doorgevoerd. Waar eerder geen tijdsbestek werd gegeven staat nu in de wet “Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden”.
Op zich betreft de term “zo spoedig mogelijk” geen tijdsbestek, maar wordt wel de urgentie door de wetgever benadrukt. Mogelijk dat de rechter in de toekomst middels een proefproces de term “zo spoedig mogelijk” verwoord in een reëel tijdsbestek.
De lijkschouw dient door de behandelend arts dus als prioriteit te worden gezien. Een reëel tijdbestek waarin volgens overledenenzorgpro.nl de lijkschouw door de behandelend arts zeker kan plaatsvinden is binnen 3 uur na het intreden van de dood van de patiënt (of binnen 3 uur na melding door nabestaanden/professionals/derden van constatering van het intreden van de dood van de patiënt). In deze tijd heeft de behandelend arts de mogelijkheid om acute werkzaamheden af te ronden of over te dragen en zich naar de plaats van het overlijden van de patiënt te begeven.
Bijkomende voordelen van een spoedige lijkschouw zijn:
Dat nabestaanden spoedig toegang tot (en de beschikking over) de overledene hebben;
Dat piëteitsvolle overledenenzorg kan worden gegeven zonder dat sprake is van ongemakken door het intreden van het ontbindingsproces (zoals rigor mortis);
Dat het afdelingsproces op een zorgafdeling doorgang kan vinden (indien van toepassing).
Tussen constateren overlijden en de lijkschouw
Veelal is de behandelend arts niet aanwezig als overlijden van een patiënt plaatsheeft. De melding van overlijden ontvangt de arts veelal van nabestaanden of verpleging.
In de tijd tot aan de lijkschouw is het gevaar reëel aanwezig dat wijzigingen aan de overledene en/of de omgeving waarin het overlijden heeft plaatsgevonden worden aangebracht, dit vooral door professionals in de zorgsector!
De overledene wordt toonbaar neergelegd zodat nabestaanden afscheid kunnen nemen, medische toepassingen worden verwijderd en de omgeving waar het overlijden heeft plaatsgevonden wordt opgeruimd en geordend zodat nabestaanden ontvangen kunnen worden.
Al deze wijzigingen zorgen ervoor dat de behandelend schouwarts informatie wordt ontnomen die bijdraagt aan de conclusie of een overlijden een al dan niet natuurlijk overlijden betreft.
Advies van overledenenzorgpro.nl is dan ook dat na constatering van het intreden van de dood niemand toegang heeft tot de overledene en de omgeving waarin het overlijden heeft plaatsgevonden tot aan de lijkschouw! Dit is mede de rede dat prioriteit dient te worden gegeven aan de lijkschouw! Om dit te realiseren bestaat de mogelijkheid dat instellingsprotocollen moeten worden aangepast!
Inschakelen gemeentelijk lijkschouwer In geval sprake is van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden dient de behandelend schouwarts de lijkschouw onmiddellijk te staken en onverwijld (zonder uitstel) zijn/haar bevindingen over te dragen aan de gemeentelijk lijkschouwer.
In geval onduidelijkheid bestaat of het overlijden is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak dient de behandelend schouwarts de lijkschouw onmiddellijk te staken en onverwijld (zonder uitstel) zijn/haar bevindingen over te dragen aan de gemeentelijk lijkschouwer.
De gemeentelijk lijkschouwer is te bereiken via de meldkamer van de politie of via de GGD (GG&GD).
Ook als de behandelend schouwarts een verklaring van natuurlijk overlijden heeft uitgeschreven mogen derden de gemeentelijk lijkschouwer consulteren in geval:
Zij vermoedens hebben, informatie hebben of als zij menen dat sprake is van overlijden ten gevolge van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden;
Zij twijfelen aan de kwaliteit van de lijkschouw zoals verricht door de behandelend arts;
De behandelend schouwarts de verklaring van natuurlijk overlijden heeft uitgeschreven zonder de overledene te hebben gezien;
Wordt getwijfeld over de gevolgde procedure van de lijkschouw;
Een gemeentelijk lijkschouwer dient zo spoedig als mogelijk te worden ingeschakeld, maar in elk geval voor begrafenis / crematie of uitvoer van een overledene naar het buitenland!
Kennis opdoen over de lijkschouw Op dit moment bestaan voor medici slechts 3 mogelijkheden om kennis op te doen over:
De correcte procedure van de lijkschouw;
Het doel van de lijkschouw;
Processen van het lichaam na overlijden (ontbindingsproces);
Symptomen van ziekteprocessen op de overledene;
Symptomen van niet-natuurlijk overlijden.
Mogelijkheid 1:
Tijdens de opleiding tot basisarts wordt op dit moment minimale kennis overgedragen aan de arts in opleiding over de lijkschouw in het algemeen, het doel van de lijkschouw, natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden, symptomen van natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden en het doel van de lijkschouw zoals de wet beoogt. Medische faculteiten hebben in de periode tijdens de behandeling van de wijziging van de wet op de lijkbezorging toegezegd te gaan voorzien in betere opleiding.
Mogelijkheid 2:
Via de informatie zoals is te vinden op de website van overledenenzorgpro.nl (deze website).
De handelswijzen zoals staan beschreven op overledenenzorgpro.nl zijn op dit moment de enige handelswijzen voor uitvoering van een correcte lijkschouw door een behandelend arts met het doel zoals de wet beoogt.
Naast de handelswijze voor de uitvoering van een correcte lijkschouw door de behandelend arts heeft overledenenzorgpro.nl handelswijzen per discipline beschreven waardoor bij uitvoering omstandigheden worden gecreëerd zodat de behandelend arts kan voorzien in een kwalitatief goede lijkschouw.
Mogelijkheid 3:
Het boek “De Lijkschouw in de Praktijk”
Auteurs: U.J.L. Reijnders, C. Das (gemeentelijk lijkschouwers) ISBN 9085620368 / 9789085620365 Dit boek geeft informatie over de vormen en symptomen van natuurlijk overlijden en niet-natuurlijk overlijden.
De combinatie van kennis van de informatie uit het boek “de Lijkschouw in de Praktijk” en uitvoering van de handelswijzen zoals staan beschreven in het item “Lijkschouw en aanvang overledenenzorg” van de website overledenenzorgpro.nl (deze website) is vandaag de dag de enige mogelijkheid om de lijkschouw te verrichten met het doel zoals de wet beoogt.
Algemeen Na overlijden van een patiënt dient prioriteit te worden gegeven aan de lijkschouw. Het is aan de behandelend arts om overtuigd te zijn of sprake is van een natuurlijk of een niet-natuurlijk overlijden. Overtuiging kan allen op een moment dat sprake is van een degelijk onderzoek door de behandelend schouwarts. Voor een degelijk onderzoek dient de behandelend schouwarts te beschikken over alle mogelijke informatie. Zaak is dat informatie niet verloren gaat.
Termijn lijkschouw door de behandelend arts
De lijkschouw door de behandelend arts dient zo spoedig als mogelijk te worden gerealiseerd!
Tot 1 januari 2010 stond in de wet: “Lijkschouwing geschiedt door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.”.
Op 1 januari 2010 is een wetswijziging doorgevoerd. Nu is de wettelijke regelgeving: “Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.”.
Overledenenzorgpro.nl (deze website) is van mening dat de lijkschouw binnen 3 uur na constatering van het intreden van de dood moet worden gerealiseerd!
Na constatering overlijden
Handelswijze verpleging zorginstelling in geval van (vermoedelijk) natuurlijk overlijden. Na constatering van overlijden:
Wordt de overledene niet verplaatst (toonbaar neergelegd), worden medische toepassingen stilgezet (bevroren) en niet verwijderd en worden alle omgevingsomstandigheden in stand gehouden zoals deze waren op het moment van overlijden.
Heeft niemand toegang tot de overledene; Informatie voor de schouwarts blijft in stand waardoor deze tot een weloverwogen conclusie kan komen of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden.
Wordt onverwijld (zonder uitstel) de behandelend arts of diens waarnemer op de hoogte gesteld van het overlijden van de patiënt. Via de richtlijn in de handelswijze zoals op deze website staat beschreven dient de schouwarts binnen 3uur na melding de overledene te schouwen. Deze 3uur wordt aangehouden zodat:
Informatie die bijdraagt aan het onderzoek van de schouwarts in stand blijft;
Nabestaanden spoedig toegang tot (en de beschikking over) de overledene hebben;
Piëteitsvolle overledenenzorg kan worden gegeven zonder dat sprake is van ongemakken door het intreden van het ontbindingsproces (zoals rigor mortis);
Het afdelingsproces op een zorgafdeling doorgang kan vinden (indien van toepassing).
De schouwarts geeft na realisatie van de lijkschouw in geval van bevinding van een natuurlijk overlijden de overledene vrij. Dit doet de schouwarts middels invulling van de overlijdenspapieren (A & B verklaring) en overhandiging van deze papieren aan de verpleging (of laat deze bij de overledene).
Na vrijgave van de overledene staat de overledene ter beschikking van de nabestaanden. De nabestaanden beslissen vervolgens over de procedure van overledenenzorg (en niet de zorginstelling, de uitvaartondernemer of een eventuele uitvaartverzekeraar).
Handelswijze verpleging zorginstelling in geval van (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden
Als bij constatering van overlijden van een patiënt informatie aanwezig is, vermoedens bestaan, omstandigheden wijzen of sporen aanwezig zijn van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden (dit zonder instellen van onderzoek) dient niemand toegang te krijgen tot de overledene (ook de nabestaanden niet). De situatie dient als “bevroren” te worden achtergelaten voor onderzoek. De overledene evenals de omgevingssituatie blijven onaangeroerd.
Onverwijld (zonder uitstel) dient de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. De gemeentelijk lijkschouwer is te bereiken via de meldkamer van de politie of via de GGD (GG&GD). De gemeentelijk lijkschouwer kan onverwijld (zonder uitstel) worden ingeschakeld door de behandelend arts van de patiënt, maar ook door de verpleging.
In geval vermoedens bestaan van of sporen wijzen op een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden hoeft niet eerst contact te worden opgenomen met de behandelend arts.
Inschakelen gemeentelijk lijkschouwer Verpleging van een zorginstelling kan na vrijgave van de overledene door de behandelend schouwarts contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer (dus ook als de behandelend schouwarts de verklaring van natuurlijk overlijden heeft afgegeven) als:
Vermoeden bestaat, informatie is of als deze meent dat sprake is van overlijden ten gevolge van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden;
Verpleging twijfelt aan de kwaliteit van de lijkschouw zoals verricht door de behandelend arts;
De behandelend schouwarts de verklaring van natuurlijk overlijden heeft uitgeschreven zonder de overledene te hebben gezien;
Wordt getwijfeld aan de gevolgde procedure van de lijkschouw;
Uiteraard kan, alvorens de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen, ook eerst contact worden opgenomen met de behandelend schouwarts om de kwaliteit, de procedure en de ideeën van het de verpleging bespreekbaar te maken.
De gemeentelijk lijkschouwer is te bereiken via de meldkamer van de politie of via de GGD (GG&GD).
Aanvang overledenenzorg Tijdens overledenenzorg worden sporen die kunnen bijdragen tot de conclusie van de schouwarts verborgen, gewijzigd of weggenomen. Het is zaak dat deze sporen in stand worden gehouden voor de lijkschouw zodat de schouwarts de lijkschouw kan realiseren met het doel zoals de wet beoogt. Overledenenzorg dient daarom dan ook nooit plaats te vinden voor de lijkschouw!
Pas als de behandelend arts de overledene vrijgeeft middels het uitschrijven van de overlijdenspapieren mag de overledenenzorg doorgang vinden.
Geen toegang tot de overledene Voor aanvang lijkschouw heeft niemand toegang tot de overledene! Eenieder die toegang heeft tot de overledene verwijderd of wijzigt (onbewust) informatie die van belang is voor een goede lijkschouw met het doel zoals de wet beoogt. Om dit te voorkomen dienen omgevingsomstandigheden en sporen op de overledene in stand te worden gehouden. Dit kan alleen worden gerealiseerd als niemand toegang heeft tot de overledene en de omgeving waar het overlijden heeft plaatsgevonden.
Het geen toegang geven of beperken van toegang tot de overledene geeft een aantal ongemakken. Deze ongemakken kunnen als niet wenselijk overkomen om een goede start van het rouwproces dat de nabestaanden doormaken te realiseren. Een correcte handelswijze heeft echter ook een aantal positieve kanten:
Op deze manier blijft informatie intact waardoor de lijkschouw kan worden gerealiseerd met het doel zoals de wet beoogt;
Een niet-natuurlijk overlijden kan worden uitgesloten.
In geval van een niet-natuurlijk overlijden kan verder onderzoek worden verricht door de gemeentelijke lijkschouwer (justitie).
Nabestaanden hebben na de lijkschouw de wetenschap dat de behandelend arts beschikking had over alle informatie om tot een weloverwogen conclusie te komen;
Nabestaanden hebben na vrijgave van de overledene de wetenschap dat de arts overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van en natuurlijke oorzaak.
Nabestaanden hebben in geval van een correcte lijkschouw de wetenschap dat medisch, paramedisch en verpleegkundig handelen wordt getoetst. Dit zegt mogelijk iets over de kwaliteit van de gegeven zorg.
Er is sprake van toetsing van medisch, paramedisch en verpleegkundig handelen, wat voor een instelling mogelijk duidelijkheid geeft over de geboden kwaliteit van zorg.
In geval van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden hebben nabestaanden de wetenschap dat informatie intact blijft zodat onderzoek kan worden gedaan naar eventuele schuldvraag en/of procedures.
Politie op de werkvloer In geval van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden komen naast de gemeentelijk lijkschouwer ook één of meerdere politiefunctionarissen ter plaatse. Naast de overdracht van de gemeentelijk lijkschouwer aan de officier van justitie dient ook de politie te voorzien in een overdracht aan de officier van justitie.
Op dit moment zien veel instellingen de aanwezigheid van geüniformeerde politiefunctionarissen als een ongemak. De aanwezigheid van politie maakt mensen nieuwsgierig, verstoort het afdelingsproces en geeft een beladen sfeer op de afdeling/in de instelling.
De aanwezigheid van gemeentelijk lijkschouwer en politiefunctionarissen kan worden gezien als een noodzakelijk kwaad, maar kan ook op een positieve manier worden bekeken, zoals:
De aanwezigheid en het onderzoek van de gemeentelijk lijkschouwer en de politie is in sommige gevallen slechts een formaliteit (niet bij al het onderzoek van de gemeentelijk lijkschouwer en de politie is sprake van “schuldig/niet schuldig”);
De aanwezigheid en het onderzoek van de gemeentelijk lijkschouwer en de politie geeft nabestaanden, medewerkers en de organisatie helderheid in de kwaliteit van de geboden zorg;
Indien van toepassing wordt bekeken of een overlijden is te wijten aan individueel handelen, zorgprocessen of instellingsbeleid. Dit kan tevens worden gezien als een vorm van toetsing. Aan de hand van de bevindingen van het onderzoek kan een zorginstelling eventuele maatregelen treffen waardoor in de toekomst een dergelijk overlijden mogelijk kan worden voorkomen. Daarbij dient te worden vermeld dat sommige vormen van niet-natuurlijk overlijden gewoonweg niet te voorkomen zijn. Omdat sprake is van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden is de procedure dat onderzoek wordt ingesteld.
Het uitnodigen van de gemeentelijk lijkschouwer (en de politie) om onderzoek te verrichten in geval van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden geeft aan dat “een instelling” werkt conform de wet, de algemeen geldende Nederlandse normen en waarden en indien van toepassing kritisch is naar het eigen functioneren.
Een natuurlijk overlijden wordt geaccepteerd;
Een niet-natuurlijk overlijden wordt niet geaccepteerd en dient te worden onderzocht in het belang van de overledene, de nabestaanden, de patiënten van de instelling, toekomstige patiënten van de instelling, de medewerkers van de instelling en de organisatie.
Overledenenzorg voor de lijkschouw Conform de wet (Wlb) dient de schouwarts overtuigd te zijn dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Overtuiging kan alleen worden bereikt als sprake is van een gedegen onderzoek. Voor een gedegen onderzoek is de behandelend schouwarts afhankelijk van informatie van de overledene en van de omgeving waar het overlijden heeft plaatsgevonden.
Tijdens overledenenzorg (laatste zorg / afleggen) worden sporen op de overledene gewijzigd, verplaatst of weggenomen. U kunt zich voorstellen dat een lichamelijke schouw niet mogelijk is op en reeds geklede overledene.
Tijdens de overledenenzorg worden ook de omgevingsfactoren van tijdens het overlijden gewijzigd. Eventueel aanwezige sporen worden daardoor verplaatst, gewijzigd of weggenomen. Een opgeruimde omgeving staat netjes om de nabestaanden in te ontvangen, maar informatie die kan bijdragen aan de conclusie van de schouwarts is ook zorgvuldige uitgewist. Het niet aanwezig zijn van informatie of gewijzigde informatie kan leiden tot een verkeerde conclusie van de schouwarts.
Bij het conserveren van de overledene (koelen) worden ook sporen gewijzigd die kunnen bijdragen aan de conclusie van de behandelend schouwarts. Naast sporen uit de omgeving en sporen op de overledene worden ook mogelijke symptomen van de oorzaak van het overlijden door een gewijzigde ontbindingsproces veranderd/gewijzigd/weggenomen.
Door het overplaatsen van de overledene naar een koelsysteem/rouwkamer/andere ruimte is sprake van een groot verlies van informatie. Informatie die de behandelend schouwarts nodig heeft om tot een weloverwogen conclusie te komen.
Lijkschouw op een reeds gekoelde, verzorgde en geklede overledene
Als de lijkschouw door de behandelend arts wordt verricht op een gekoelde en/of verzorgde en geklede overledene is de lijkschouw niet conform het doel zoals de wet beoogd uitgevoerd.
De behandelend schouwarts heeft in dit geval de wet niet nageleefd door:
Zoals de wet stelt “zo spoedig mogelijk na het overlijden” de lijkschouw te verrichten;
Zich te overtuigen of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden volgens het doel zoals de wet beoogt.
Aangenomen kan worden dat de behandelend schouwarts bij een dergelijke “lijkschouw” slechts (het intreden van) de dood vaststelt.
Bij deze handelswijze van de lijkschouw bent u als verpleging op de hoogte dat de behandelend schouwarts tekortschiet in de kwaliteit van de lijkschouw.
In de eerste instantie kan de verpleging dit bespreekbaar maken bij de behandelend schouwarts. Mogelijk dat werkwijzen en eventuele protocollen worden gewijzigd.
In de tweede instantie kan de verpleging de gemeentelijk lijkschouwer consulteren. De gemeentelijk lijkschouwer kan (eventueel in overleg met een officier van justitie) bekijken of maatregelen genomen moeten worden om de lijkschouw te realiseren met het doel zoals de wet beoogt.
In de derde instantie kan de burgermeester van de gemeente op de hoogte worden gebracht. De wet stelt namelijk “Burgemeester en wethouders verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken.”.
In principe zal bij melding op verzoek van de melder anonimiteit worden gewaarborgd.
Verwacht overlijden In zeer veel zorginstellingen is sprake van een verlate lijkschouw op een moment dat sprake is van een verwacht overlijden. In de meeste gevallen heeft overledenenzorg en conservering van de overledene plaats voor aanvang lijkschouw.
In dit geval wordt de lijkschouw niet verricht volgens het doel zoals de wet (Wlb) beoogt.
Een verkeerde gedachte is dat een verwacht overlijden ook per definitie een natuurlijk overlijden betreft. Dit hoeft niet het geval te zijn!
Op dit moment hebben veel zorginstellingen de procedure dat in geval van een verwacht overlijden de arts bij aanvang dienst op de hoogte wordt gesteld van het overlijden van de patiënt. Dit kan vele uren na het overlijden zijn. In deze procedure wordt een wettelijke voorbehouden handeling van de behandelend arts, namelijk het verrichten van de lijkschouw met het doel zoals de wet beoogt, achterwege gelaten en wordt de bevinding of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden overgelaten aan een niet bevoegde discipline, namelijk de verpleging (dienstdoend hoofd). Deze handelswijze is niet in overeenstemming met de Nederlandse wetgeving (Wet op de Lijkbezorging).
Met het wetsartikel zoals is doorgevoerd bij de wetswijziging van 1 januari 2010 “Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.” wordt de prioriteit van de lijkschouw weergeven en moet uitstel van de lijkschouw in geval van een “verwacht overlijden” worden voorkomen!
Afspraken met de Inspectie voor de Gezondheidszorg Veel instellingen beschikken over onjuiste procedures met betrekking tot de lijkschouw. Met regelmaat is er de uitspraak (door medewerkers) dat de instelling afspraken heeft gemaakt met de Inspectie voor de Gezondheidszorg en dat door deze instantie de geldende instellingsprocedures goed zijn bevonden.
In Nederland maakt geen enkele overheidsinstantie individuele afspraken met instellingen die niet in overeenstemming zijn met de Nederlandse wetgeving. Het doel van de lijkschouw zoals de wet beoogt is te vinden in het item “De Wet”.
Op dit moment voorziet geen enkele overheidsinstantie in een protocol/handelswijze voor uitvoering van de lijkschouw. Het vervaardigen van protocollen en handelswijzen om het wettelijke doel voor de lijkschouw te bereiken wordt op dit moment door de politiek overgelaten aan individuen en individuele beroepsgroepen. De enige praktische handelswijze van de lijkschouw conform het doel zoals de wet beoogt is te vinden op deze website en vervaardigd door overledenenzorgpro.nl.
Overledenenzorgpro.nl heeft dit initiatief genomen omdat tot op heden zowel de wetgever als de medische beroepsgroep niet voorziet in een handleiding voor de lijkschouw met het doel zoals de wet (Wlb) beoogt.
Het doel van de lijkschouw is, dat de behandelend schouwarts zich ervan overtuigd dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijk overlijden.
Een dergelijke overtuiging is alleen mogelijk als sprake is van een gedegen onderzoek. Informatie over dit onderzoek is te vinden in het item “Uitvoering lijkschouw”.
De behandelend schouwarts dient zijn/haar overtuiging vast te leggen in de verklaring van natuurlijk overlijden.
Door geen beschikking te hebben over de door de behandelend schouwarts ingevulde verklaring van natuurlijk overlijden heeft de mortuariumbeheerder geen schriftelijke bevestiging van de overtuiging van de schouwarts, dat deze ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden tengevolge van een natuurlijke oorzaak.
Bij verzorging en/of verplaatsing van de overledene gaat informatie verloren die noodzakelijk is voor de lijkschouw met het doel zoals de wet beoogt. Zonder schriftelijke bevestiging van de overtuiging van de schouwarts dient deze informatie beschikbaar te blijven voor onderzoek door:
De behandelend schouwarts;
De gemeentelijke lijkschouwer.
Verpleging in een zorginstelling kan mortuariumbeheer de opdracht geven tot verzorging/vervoer/conservering van de overledene zonder de aanwezigheid van overlijdenpapieren. Advies is om de schriftelijke bevestiging van de behandelend schouwarts af te wachten alvorens overledenenzorg te verlenen.
Mortuariumbeheer heeft veelal ook een adviesfunctie. In geval overlijden van een patiënt plaatsheeft tijdens een medische handeling of voorbereiding van een medische handeling, dan kan bij aanwezigheid van de verklaring van natuurlijk overlijden aan de behandelend schouwarts het advies worden gegeven de gemeentelijk lijkschouwer te consulteren. Het onderzoek van de gemeentelijk lijkschouwer voorkomt dat op een later moment discussie ontstaat over de omstandigheden van het overlijden en het functioneren van de behandelend arts.
(Vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden Als de behandelend schouwarts een verklaring van natuurlijk overlijden heeft uitgeschreven mag mortuariumbeheer de gemeentelijk lijkschouwer consulteren in geval:
Vermoeden bestaat, informatie is of als deze meent dat sprake is van overlijden ten gevolge van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden;
Bijvoorbeeld bij overlijden tijdens of na (de voorbereiding van) een medische, paramedische of verpleegtechnische handeling.
Mortuariumbeheer twijfelt aan de kwaliteit van de lijkschouw zoals verricht door de behandelend arts;
De behandelend schouwarts de verklaring van natuurlijk overlijden heeft uitgeschreven zonder de overledene te hebben gezien;
Wordt getwijfeld aan de gevolgde procedure van de lijkschouw;
Uiteraard kan, alvorens de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen, ook eerst contact worden opgenomen met de behandelend schouwarts om de kwaliteit, de procedure en de ideeën van het mortuariumbeheer bespreekbaar te maken.
Hierbij kan uitleg worden gegeven over:
Wetgeving met betrekking tot de lijkschouw: Het doel van de lijkschouw en de urgentie van de lijkschouw, zoals beschreven in de hoofdstukken De wet en Wet en wetgever;
De uitvoering van de lijkschouw, zoals beschreven in hoofdstuk Uitvoering lijkschouw.
Tekortkomingen in de in de “Handreiking lijkschouw” van De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), als de behandelend schouwarts deze “handreiking” heeft gebruikt voor het realiseren van de lijkschouw.
Gegevens over de tekortkomingen in deze “handreiking” kunt u vinden in het item “Handreiking lijkschouw KNMG” van het hoofdstuk “Wet en wetgever”.
De gemeentelijk lijkschouwer is te bereiken via de meldkamer van de politie of via de GGD (GG&GD).
Als uitvaartondernemer krijgt u van de opdrachtgever (veelal de nabestaanden) opdracht tot het realiseren van overledenenzorg en het vervoer van de overledene naar een andere locatie.
De wet schrijft voor dat de behandelend schouwarts overtuigd moet zijn dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Een dergelijke overtuiging kan alleen worden gerealiseerd als sprake is van gedegen onderzoek. Om de schouwarts de gelegenheid te geven tot het verrichten van een gedegen onderzoek dient geen overledenenzorg en overledenenvervoer van de overledene plaats te vinden voor de lijkschouw.
Ook als de uitvaartondernemer geen beschikking heeft over de verklaring van natuurlijk overlijden dient geen overledenenzorg en overledenenvervoer plaats te vinden.
Want wat als later toch sprake blijkt van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden;
Want wat als de overlijdenspapieren:
Niet alsnog worden uitgeschreven door de behandelend schouwarts;
Verlaat worden aangeleverd door de behandelend schouwarts;
Niet worden ontvangen door de uitvaartondernemer en de behandelend schouwarts niet, of niet in de gelegenheid is, om nieuwe overlijdenspapieren aan te leveren.
De wet schrijft voor dat tegelijk met de verklaring van natuurlijk overlijden (A-verklaring) het formulier ten behoeve van de statistiek (B-verklaring) door de behandelend schouwarts moet worden aangeleverd. Als uitvaartondernemer dient u er niet mee akkoord te gaan als het formulier ten behoeve van de statistiek ontbreekt. De burgerlijke stand kan verlangen dat zowel de A-verklaring als de B-verklaring tegelijk worden aangeleverd. Bij het ontbreken van het formulier ten behoeve van de statistiek kunnen problemen ontstaan als de behandelend arts:
Dit formulier niet alsnog wil aanleveren;
Dit formulier verlaat aanlevert;
Niet in de gelegenheid is om dit formulier aan te leveren.
Een andere arts dan de behandelend schouwarts zal niet snel het formulier ten behoeve van de statistiek voor u invullen. Onder de verklaring van overlijden evenals het formulier ten behoeve van de statistiek dient vermelding te zijn van één en dezelfde schouwarts. En andere arts dan de schouwarts heeft geen lijkschouw bij de overledene afgenomen en betreft daardoor geen schouwarts!
Aanleveren van overlijdenspapieren aan schouwarts Sommige behandelend schouwartsen staan erop dat de uitvaartondernemer de overlijdenspapieren aanlevert zodat deze door de behandelend schouwarts kunnen worden ingevuld. Nergens in wet- en regelgeving staat vermelding van de procedure van het aanleveren van de overlijdenspapieren aan de schouwarts door de uitvaartondernemer. Het is dus aan de behandelend schouwarts om over de overlijdenspapieren te beschikken. De behandelend schouwarts (of zorginstelling) kan deze documenten bij de burgerlijke stand aanvragen.
Mocht een behandelend schouwarts niet (tijdig) voorzien in de overlijdenspapieren, dan kan contact worden opgenomen met de gemeentelijk lijkschouwer. Als uitvaartondernemer kunt u aangeven dat u, ondanks realisatie van de lijkschouw, niet beschikt over de overlijdenspapieren en dat daardoor geen voorspoedige doorgang van overledenenzorg en het realiseren van de uitvaart kan plaatsvinden.
Zorginstelling geeft de overledene niet vrij
Bij een overlijden in een zorginstelling kan de uitvaartondernemer soms pas vele uren na een het overlijden de overledene ophalen. Dit komt veelal doordat een zorginstelling de overledene niet vrijgeeft (bijvoorbeeld omdat sprake is van een verlate lijkschouw) of doordat de overledene op door de zorginstelling bepaalde tijden kan worden opgehaald.
Zorginstelling hanteert tijden dat overledenen kunnen worden opgehaald
Dat de zorginstelling tijden hanteert met betrekking tot het ophalen van overledenen heeft niets te maken met het onderwerp “de lijkschouw”, tenzij de tijden worden gehanteerd om de behandelend schouwarts de mogelijkheid te geven van een verlate lijkschouw.
Tenzij sprake is van een gemeentelijke verordening dat uitvaartondernemers niet wordt toegestaan op bepaalde tijden overledenen op te halen mag een zorginstelling uitgifte van de overledene niet tegengaan op een moment dat de lijkschouw heeft plaatsgevonden (tenzij sprake is van justitiële inbeslagname van de overledene).
Het niet meegeven van de overledene heeft tot gevolg dat nabestaanden korter kunnen beschikken over de overledene om afscheid te nemen.
Daar komt ook bij dat de overledene geen “eigendom” is van de zorginstelling, maar aan de nabestaanden toebehoort!
Er is sprake van een verlate lijkschouw
Tot 1 januari 2010 stond in de wet:
“Lijkschouwing geschiedt door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.”.
Op 1 januari 2010 is een wetswijziging doorgevoerd. Nu is de wettelijke regelgeving:
“Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.”.
Waar voor 1 januari 2010 de mogelijkheid bestond van een verlate lijkschouw door de behandelend schouwarts is dit na 1 januari 2010 niet meer mogelijk!
Het begrip “zo spoedig mogelijk na het overlijden” is een onduidelijke term voor waar het de daadwerkelijke termijn betreft, maar overledenenzorgpro.nl ziet een reëel tijdsbestek tot 3 uur na het overlijden als termijn waarin de lijkschouw moet hebben plaatsgevonden.
De mogelijkheid bestaat dat een rechter in de toekomst duidelijkheid geeft in de term “zo spoedig mogelijk” en dit omzet in een reëel tijdsbestek.
In het tijdsbestek van 3 uur heeft volgens overledenenzorgpro.nl de behandelend arts de mogelijkheid om acute werkzaamheden af te ronden of over te dragen en zich naar de plaats van het overlijden van de patiënt te begeven.
Onduidelijkheid over het vrijgeven van de overledene De mogelijkheid bestaat dat onduidelijkheid bestaat over de rede van de verlate uitgifte van een overledene.
Eén van de redenen kan zijn dat het overlijden een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden betreft.
De mogelijkheid bestaat dat de gemeentelijk lijkschouwer moet komen schouwen of dat vervolgonderzoek noodzakelijk is en dus sprake is van (tijdelijke) inbeslagname van de overledene.
Veelal kunnen nabestaanden aan de uitvaartondernemer vertellen dat de doodsoorzaak een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden betreft. U weet dan dat sprake kan zijn van een verlate vrijgave van de overledene.
In geval u als uitvaartondernemer niet op de hoogte bent van de rede van het tegenhouden van uitgifte van de overledene kunt u contact opnemen met de zorginstelling (behandelend arts). Op zich hoeft de zorginstelling (behandelend arts) u geen antwoord te geven, maar als collegiale samenwerking wordt de uitvaartondernemer meestal op de hoogte gebracht.
Ten slotte kunt u contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer als sprake is van een onwenselijk lange termijn dat sprake is van vrijgave van de overledene door de zorginstelling. In geval sprake is van een justitieel onderzoek is de gemeentelijk lijkschouwer hiervan op de hoogte.
(Vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden
Als de behandelend schouwarts een verklaring van natuurlijk overlijden heeft uitgeschreven mag de uitvaartondernemer de gemeentelijk lijkschouwer consulteren in geval:
Vermoeden bestaat, informatie is of als deze meent dat sprake is van overlijden ten gevolge van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden;
De uitvaartondernemer twijfelt aan de kwaliteit van de lijkschouw zoals verricht door de behandelend arts;
De behandelend schouwarts de verklaring van natuurlijk overlijden heeft uitgeschreven zonder de overledene te hebben gezien;
Wordt getwijfeld aan de gevolgde procedure van de lijkschouw;
Uiteraard kan, alvorens de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen, ook eerst contact worden opgenomen met de behandelend schouwarts om de kwaliteit, de procedure en de ideeën van de uitvaartondernemer bespreekbaar te maken.
In geval van (vermoeden van) een niet natuurlijk overlijden dient de gemeentelijk lijkschouwer zo spoedig als mogelijk te worden ingeschakeld, maar in elk geval voor begrafenis / crematie of uitvoer van een overledene naar het buitenland!
De gemeentelijk lijkschouwer is te bereiken via de meldkamer van de politie of via de GGD (GG&GD).
Ambulancehulpverlening krijgt doorgaans te maken met 3 situaties van overlijden van een patiënt.
Overlijden van de patiënt op de plaats van inzetten behandeling;
Overlijden van de patiënt tijdens vervoer /Overlijden van de patiënt bij aankomst op een spoedeisende hulp;
Overbrenging van een overledene door de ambulancedienst.
Overlijden van de patiënt op de plaats van inzetten behandeling Op een moment dat sprake is van overlijden van de patiënt op de plaats waar de behandeling is ingezet dient bij constatering van overlijden de situatie te worden “bevroren”. Zowel de overledene als de omgevingssituatie dienen na constatering onaangeroerd te blijven tot aan de realisatie van de lijkschouw door de schouwarts. Aangebrachte medische toepassingen dienen door de medewerkers van de ambulancedienst intact te worden gehouden en aanvullende informatie zoals bijvoorbeeld onderzoeksuitslagen en een ecg-print worden aan de schouwarts ter beschikking gesteld.
Al deze informatie kan bijdragen tot een weloverwogen conclusie van de schouwarts of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden.
In geval sprake is van een (vermoedelijk) natuurlijk overlijden kan de behandelend arts in consult worden geroepen om de lijkschouw te verrichten.
In geval geen behandelend arts aanwezig is, geen sprake is van een behandelend arts of als sprake is van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden dient de gemeentelijk lijschouwer onverwijld (zonder uitstel) te worden ingeschakeld.
Als sprake is van een overlijden in een publieke/openbare locatie zal veelal de gemeentelijk lijkschouwer de lijkschouw verrichten. Doorgaans zal in geval van een (vermoedelijk) natuurlijk overlijden de behandelend arts niet de lijkschouw verrichten omdat op dat moment geen sprake is van een behandelsetting.
Medewerkers ambulancedienst dienen altijd bereikbaarheidgegevens achter te laten zodat de schouwarts contact kan opnemen voor eventuele aanvullende gegevens omtrent het overlijden van de patiënt.
Overlijden van de patiënt tijdens vervoer /Overlijden van de patiënt bij aankomst op een spoedeisende hulp In geval van overlijden van een patiënt tijdens vervoer dienen aangebrachte medische toepassingen intact te worden gehouden. Aanvullende informatie zoals bijvoorbeeld onderzoeksuitslagen en een ecg-print dienen aan de schouwarts beschikbaar te worden gesteld. Deze gegevens kunnen bijdragen aan de conclusie van de schouwarts of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden en vertellen mogelijk iets over de doodsoorzaak.
Medewerkers ambulancedienst dienen bereikbaarheidgegevens achter te laten zodat de schouwarts contact kan opnemen voor eventuele aanvullende gegevens omtrent het overlijden van de patiënt.
Bij inbreng van een overledene op een spoedeisende hulp of mortuarium is geen sprake van behandelend arts in behandelsetting. Voor realisatie van de lijkschouw dient altijd de gemeentelijk lijkschouwer onverwijld (zonder uitstel) te worden ingeschakeld.
Overbrenging van een overledene door de ambulancedienst In sommige gevallen krijgt een ambulancedienst het verzoek voor overbrenging van een overledene naar een mortuarium. Veelal heeft dit verzoek plaats als sprake is van een overlijden in een openbare/publieke/drukke omgeving.
Dit verzoek kan alleen worden ingediend door de gemeentelijk lijkschouwer (of met instemming van de gemeentelijk lijkschouwer). De gemeentelijk lijkschouwer dient op de hoogte te zijn van de omstandigheden van het overlijden en de positie van het lichaam als onderdeel van de lijkschouw. Zonder goedvinden van de gemeentelijk lijkschouwer dient het lichaam onaangeroerd te blijven!
(Vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden Als u als medewerker ambulancedienst het vermoeden heeft dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden dient u onverwijld (zonder uitstel) de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen. Als duidelijkheid bestaat dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden dient u onverwijld (zonder uitstel) de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen.
Vermoedens van een (vermoedelijk) niet natuurlijk overlijden kunnen worden opgemerkt als:
Op de patiënt sporen aanwezig zijn die kunnen wijzen op een niet natuurlijk overlijden;
De houding van de overledene wijst op de mogelijkheid van een niet-natuurlijk overlijden;
Sporen in de omgeving aanwezig zijn die wijzen op een (vermoedelijk) niet natuurlijk overlijden;
Omstanders informatie hebben dat (mogelijk) sprake is van een niet-natuurlijk overlijden;
De reactie van omstanders wijst op de mogelijkheid van een niet-natuurlijk overlijden.
De gemeentelijk lijkschouwer is te bereiken via de meldkamer van de politie of via de GGD (GG&GD).
Algemeen In sommige situaties zien medewerkers ambulancedienst geen noodzaak voor politiehulpverlening bij overledenenzorg/overledenenvervoer. Het komt in de praktijk voor dat de politiebeambten door de ambulancemedewerkers worden weggezonden.
Wat niet moet worden vergeten is dat nabestaanden op de hoogte moeten worden gebracht van het overlijden van hun familielid.
Het op de hoogte brengen van de nabestaanden is niet de taak van de ambulancedienst, niet de taak van de gemeentelijk lijkschouwer en ook niet de taak van het mortuariumbeheer. In geval nabestaanden nog niet op de hoogte zijn van het overlijden van hun familielid zullen de betrokken politiefunctionarissen deze taak op zich nemen!
Een veelvoorkomende verkeerde veronderstelling is, dat de lijkschouw wordt gerealiseerd om (het intreden van) de dood vast te stellen.
De wet stelt echter “Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.”.
De schouwarts dient voor de lijkschouw (het intreden van) de dood vast te stellen. De lijkschouw dient ervoor om een natuurlijk overlijden of een niet-natuurlijk overlijden te constateren.
In geval van een natuurlijk overlijden geeft de schouwarts een verklaring van natuurlijk overlijden af. Na overdracht van deze papieren staat de overledene ter beschikking aan de nabestaanden. De nabestaanden kunnen overledenenzorg / uitvaartzorg volgens wens realiseren.
In geval van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden zal vervolgonderzoek plaatsvinden. Het vervolgonderzoek wordt gerealiseerd door de gemeentelijk lijkschouwer in samenwerking met de politie (technische recherche). Tijdens dit onderzoek is sprake van inbeslagname van de overledene. De overledene staat voor onderzoek ter beschikking van justitie.
De wetgeving evenals de algemeen geldende Nederlandse normen en waarden stellen dat:
Een natuurlijk overlijden wordt geaccepteerd;
Een niet-natuurlijk overlijden niet wordt geaccepteerd en vervolgonderzoek plaatsheeft om schuldvraag te onderzoeken of verkeerde procedures/beleid/handelswijzen/omstandigheden te wijzigen zodat een dergelijk overlijden in de toekomst mogelijk kan worden voorkomen.
Met andere woorden… De lijkschouw is een controlemiddel om de normen en waarden, zoals in Nederland wordt gedacht over leven en de dood, te bewaken.
Uiteraard wilt u als nabestaanden duidelijkheid of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden. In geval opgemerkt wordt, of dat sprake is van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden wilt u als nabestaanden waarschijnlijk dat een adequaat onderzoek wordt ingesteld. De basis van dit onderzoek is de lijkschouw zoals wordt verricht door de behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer.
Helaas brengt dit onderzoek naast de voordelen over het ontstaan van duidelijkheid met betrekking tot het overlijden ook een paar nadelen met zich mee, met als voornaamste nadeel dat de mogelijkheid bestaat dat u als nabestaanden geen toegang heeft tot de overledene tot na de lijkschouw. Deze procedure wordt dan gehanteerd zodat informatie intact blijft waardoor de schouwarts tot een weloverwogen conclusie kan komen of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden.
Het belangrijkste gevolg van deze procedure is dat de overledene de lijkschouw krijgt conform het doel van de wetgeving (elke overledene heeft recht op een goede lijkschouw) en dat nabestaanden duidelijkheid krijgen of al dan niet sprake is van een natuurlijk overlijden.
Overlijden in thuissituatie In geval van een overlijden in de thuissituatie is het van belang dat de omstandigheden van het overlijden intact worden gehouden. Deze informatie kan bijdragen aan het onderzoek van de schouwarts zodat deze zijn bevindingen kan meenemen om tot een weloverwogen conclusie te komen. Als nabestaanden kunt u zorgdragen dat de omstandigheden intact worden gehouden. Tot aan het onderzoek van de schouwarts (de lijkschouw) dient de overledene onaangeroerd te blijven en dienen omgevingsomstandigheden te blijven zoals op het moment van overlijden.
Volgens deze handleiding van overledenenzorgpro.nl (deze website) dient de schouwarts de lijkschouw als prioriteit te zien en de schouw binnen 3 uur na melding van overlijden te realiseren. Deze 3 uur worden aangehouden zodat de schouwarts acute werkzaamheden kan afronden/overdragen en ter plaatse kan komen om de lijkschouw te verrichten.
De wet stelt: Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.
Vermoeden van niet-natuurlijk overlijden Als bij nabestaanden het vermoeden bestaat, informatie is of meent dat sprake is van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden kunt u als nabestaanden contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Dit ook op een moment dat de behandelend schouwarts een verklaring van natuurlijk overlijden reeds heeft afgegeven.
De gemeentelijk lijkschouwer is te bereiken via de meldkamer van de politie of via de GGD (GG&GD).
Van belang is dat de gemeentelijk lijkschouwer zo spoedig als mogelijk wordt ingeschakeld, maar in elk geval voor begrafenis of crematie van de overledene of voor uitvoer van de overledene naar het buitenland!
Uitvoering van de lijkschouw met het doel zoals de wet beoogt kan alleen worden gerealiseerd als het doel en de kwaliteit van de lijkschouw als prioriteit wordt gezien. De schouwarts dient alle aspecten van de lijkschouw zoals beschreven in het item “Uitvoering lijkschouw” in het onderzoek mee te nemen om tot een weloverwogen conclusie te komen.
Disciplines die zorgdragen voor de overledenenzorg dienen de schouwarts de gelegenheid te geven de lijkschouw te verrichten met het doel zoals de wet beoogt.
Instellingsprotocollen met betrekking tot de lijkschouw en overledenenzorg dienen te worden gewijzigd zodat deze stroken conform het doel zoals de wet beoogt.
Inschakelen gemeentelijk lijkschouwer in geval van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden Als het vermoeden bestaat, informatie is of u meent dat sprake is van overlijden ten gevolge van een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden dient u onverwijld (zonder uitstel) contact op te nemen met de gemeentelijk lijkschouwer.
Dit ook op een moment dat de behandelend schouwarts een verklaring van natuurlijk overlijden reeds heeft afgegeven.
Van belang is dan dat de gemeentelijk lijkschouwer onverwijld (zonder uitstel) wordt ingeschakeld, maar in elk geval voor begrafenis of crematie van de overledene of voor uitvoer van de overledene naar het buitenland!
De gemeentelijk lijkschouwer is te bereiken via de meldkamer van de politie of via de GGD (GG&GD).
In geval de behandelend arts de lijkschouw heeft afgenomen en een verklaring van natuurlijk overlijden heeft uitgeschreven mag overledenenzorg doorgang vinden.
Als tijdens de overledenenzorg toch sporen wijzen op een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden, dan dient u direct de overledenenzorg te staken en onverwijld (zonder uitstel) de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen!